De transavant-garde

De door Jencks voorgestelde term “post­avant-garde” heeft niet echt ingang gevonden. Misschien kan hij gebruikt worden als de ruimste indeling van alle reacties op het avant-garde imperialisme. Eén van deze reacties is de transavant-garde, een naam die wel is ingeburgerd geraakt. Concreet wordt deze stroming verbonden aan een groep Italiaanse schilders, die eind de jaren zeventig door de criticus Bonito Oliva samengebracht en gepromoot werd, namelijk Chia (1946), Clemente (1952), Cucchi (1949) en Paladino (1948). Het is een vorm van het “nieuwe schilderen” op een neo-expressionistische wijze, zoals zich dat rond 1980 als een verhoogde belangstelling voor de schilderkunst manifesteerde. Er was toen werkelijk sprake van een schildersdrift als reactie tegen de conceptuele kunst die het creatieproces tot een verstandelijke bedoening herleid had, zonder dat een materiële concretisering nodig werd bevonden. En ook tegen het “minimalisme” en de “Arte Povera”, twee stromingen die de grenzen uitprobeerden van de soberheid die toch net nog kunst mag genoemd worden, volgens het “minder is meer” principe. Hiertegen ontsponnen zij een kleurrijke schilderkunst met een liefde voor de verfmaterie, die verleidt tot aanraking. Hoewel hoofdzakelijk de nadruk ligt op het expressieve, wordt toch verwezen naar zeer vele andere stijlen. Deze kunnen zonder duidelijke overgangen met elkaar verweven zijn of naast elkaar voorkomen als beeldcitaten. Het figuratieve wordt vaak ingebed tussen abstracte vlakken. Als goede vertellers roepen ze geregeld beelden op uit de mythologieën van o.a. de Oudheid. De eigen subjectieve ervaringen staan centraal. Ook het “nieuwe” wordt beperkt tot de eigenheid van hun persoon. De betrachting om een kunsthistorische heldendaad te stellen, m.a.w. de eerste willen zijn om dit of dat te doen, is niet langer een criterium. Ze hermaken wat al bestaat op hun eigen manier. Naast het schilderen doen ze dat ook via beeldhouwwerken. Sommige bronzen worden frivool doordat ze luchtig bijgekleurd worden.

Oliva heeft er ook de kunsttheoretische basis voor opgesteld.(4) Volgens hem was de “transavanguardia” op dat ogenblik de enig mogelijke avant-garde. Wat hem terecht stoort in de avant-garde is de idee dat er vooruitgang in de kunst zou bestaan. Het is een vorm van historisch optimisme om te denken dat de ontwikkeling van de kunst zou verlopen als een evolutie, volgens een continue lijn. De kunst die Oliva ‘transavanguardia’ noemt, getuigt – meent hij – van een voortdurend verlangen naar verandering. In tegenstelling tot de dematerialisering van het werk van de conceptuele kunst, opteert ze voor een eerherstel van de manuele vaardigheid. Deze gaat gepaard met het plezier van de uitvoering, waardoor de schilderstraditie weer tot de kunst is gaan behoren. De waarde van de kunst van de transavant-garde is het “eclecticisme”, d.w.z. dat de kunstenaar vrij kan kiezen uit de bestaande stijlen en deze naar zijn hand kan zetten. Het is geen beweging, maar een artistieke houding. Ze wenst twee niveaus van cultuur te verenigen: de hogere cultuur die voorwerp is geweest van de avant-garde en de lagere cultuur, die een product is van de verbeelding en de massabeschaving. De transavant-garde beschouwt de picturale taal als een middel tot verandering, als een overgang van het ene werk naar een ander, van de ene stijl naar de andere, als het ware een nomadendom van visuele beelden. In deze zwervershouding wordt geen enkel definitief aanknopingspunt in acht genomen. Tot hier Oliva. Een interessante theorie die echter te veel verbonden is aan het onmiddellijk interpreteren van een aantal Italiaanse schilders.

In tegenstelling tot Oliva zie ik (5) het begrip transavant-garde minder verbonden aan een bepaalde stroming. Bij de vernieuwingsdrang van de avant-garde is doorgaans de daad zelf, namelijk het doorbreken van de grenzen en het tonen van nieuwe horizonten, belangrijker dan het verkregen resultaat. De transavant-garde verzamelt, volgens mij, een groot aantal kunstenaars die qua stijl en kunstuiting onderling sterk kunnen verschillen. Met elkaar hebben ze niet noodzakelijk een verband, tenzij hun houding ten opzichte van de avant-garde. Zij zijn het nieuwe, braakliggende gebied dat door de grensverlegging van de avant-garde vrijgekomen is, gaan bewerken vanuit hun eigen subjectiviteit. Op hun eigen wijze diepen zij bepaalde nieuwe visies uit, en komen zo soms tot rijkere resultaten dan de avant-garde zelf. Anderzijds kan men niet meer ontkennen dat de term verbonden is met het oeuvre van die bepaalde Italiaanse kunstenaars. Toch is er ook sprake van een internationale transavant-garde.(6) In België heeft Jean Bilquin (7) werk gemaakt dat nauw aansluit bij deze stroming.

4) A. B. Oliva, The Italian Trans-avant-garde, Milano, 1980.
5) W. Elias, “Jean Bilquin en de trans-avant-garde”, Art Actuel, Galerij A. van Horenbeeck, 1980.
6) A. B. Oliva, The International Trans-avant-garde, Milano, 1982.
7) W. Van den Bussche, e.a., Jean Bilquin, Oostende, 1999. 8) Marc Ruyters, “Zeven. Over de wereld van Jean Bilquin”, in: catalogus Jean Bilquin, Caermersklooster, Gent, 2003

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.