Jef Van Tuerenhout (1926- )

Van Tuerenhout heeft een ganse evolutie afgelegd om tot zijn huidige vorm van schilderen te komen. In zijn atelier kan men ze overigens via een aantal sleutelwerken volgen. Zoals velen van zijn generatie is hij begonnen, reeds in de jaren veertig, met een schoolse vorm van expressionisme. Bij de meeste onder hen is er vlug ook een reactie opgetreden tegen dat expressionisme dat na WO II te dominant, maar vooral ook te academisch geworden was. Terug naar het oude realisme was een mogelijke uitweg, of ook de figuratie verbannen via de abstracte kunst. Van Tuerenhout koos voor een derde weg, het magisch realisme. Men ziet zijn expressionistische werken langzaam hun dynamische gebaldheid verliezen om over te gaan in een statische expressie. In aanvang zijn het mensachtige gedaanten. Soms is er geen duidelijk gelaat te zien en komen windels of maskers in de plaats. Door de statische kracht doen de figuren eerder denken aan vrouwelijke krijgers met een hoge rang. Amazones die hun zelfstandigheid bevestigen, of zijn het godinnen uit zelf verzonnen mythen? Hun huid evenals hun omgeving geven de indruk poreus te zijn.

Midden de jaren zeventig doet zich een overgang voor van gedrocht naar onwerkelijk mooie vrouw. Vanaf dan draagt ze niet langer een porseleinen huid die sowieso niet aanzet tot strelen. De huid wordt vleselijk, maar stimuleert toch geen toenadering. Zijn lijfthema is de Vrouw, ja met hoofdletter geschreven. De vrouw dus niet als occasioneel personage in een of andere pose binnen een bepaalde anekdotiek. Wel de vrouw als symbool van vruchtbaarheid en alles wat daar komt bij kijken, erotiek dus. In tegenstelling tot het oeuvre van Landuyt waarbij de erotische moed de toeschouwer in de schoenen zakt, is de erotiek het centrale gegeven bij van Tuerenhout. Erotiek weliswaar vrij symbolisch opgevat. Niet in een opwindende pose of verleidelijk lonkend, maar de vrouw als aantrekkelijke tegenpool van de man. De vrouw in haar afstandelijkheid, voorwaarde om de aantrekking te verhogen. De Vrouw als symbool verschijnt ongenaakbaar in een decor met zeer ongewone kleuren en allerlei ornamenten die haar status moeten bevestigen. Deze interesse in het erotische kent ook haar tegenpool. Het vleselijke wordt gepaard aan het geraamte. Inderdaad komt ook de dood om het hoekje kijken. Hij sluit hier aan bij het freudiaanse onderscheid tussen Eros en Thanatos, tussen levens- en doodsdrift. Van Tuerenhout speelt goed in op de vormgeving van het magisch realisme. Techniek draagt hij hoog in het vaandel. De overgangen tussen de figuren zijn scherp afgelijnd. Niet zozeer de ongewone relatie tussen objecten zorgen voor de vervreemding, maar er wordt gepoogd een bevreemdende kracht vanuit de figuren zelf te laten vertrekken. Kenmerkend voor van Tuerenhout is ten slotte nog zijn voorkeur voor schilders zoals Klimt en de eraan verbonden wijze om versieringselementen te gebruiken.(4)

4. H.I. Flemming & W. Enzinck, “Jef van Tuerenhout”, St. Martens-Latem, 1988

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.