Abstracte kunst in België

In België zijn er door meerdere kunstenaars belangrijke bijdragen geleverd aan de evolutie van de abstracte kunst. Misschien niet steeds baanbrekers als men het vanuit een internationaal perspectief bekijkt, maar toch ook geen nalopers. Doorgaans in eigen land miskend. Bij de voortekenen van een interesse voor het abstracte kan men Ensor rekenen. Vooral daar waar Turner doorschemert. Ook in sommige landschappen van Permeke is de abstraherende kracht al eens sterker dan de minuscule boertjes en hooimijten die naar de werkelijke omgeving verwijzen. Er is ook een echte voorloper, nl. Joseph Lacasse. Als zestienjarige maakte hij reeds in 1910 geometrisch abstracte werken. Inderdaad hetzelfde jaar als Kandinsky’s debuut. Hij heeft er geen intellectueel tractaat in de trant van “Uber das Geistige in der Kunst” aan toegevoegd, want de man uit Doornik was zo goed als ongeschoold. Maar zijn werken zijn er wel. De intuïtie deed haar werk. België bracht echter ook theoretici van de abstracte kunst voort. De zelf abstract schilderende Michel Seuphor, die vanaf 1925 in Parijs verbleef, is een ware onderzoeker geweest van de abstracte kunstbeweging. Zijn naam is niet los te maken van de stimulerende bekendmaking van dit zo typische kunstverschijnsel van de twintigste eeuw. Verder zijn er ook kunstenaars die een zeer hoog niveau bereikt hebben binnen de internationale kunstscène. Iemand als Georges Vantongerloo moet in feite niet onderdoen voor Mondriaan. Hij was vooral op zoek naar wiskundige gronden voor de geometrisch abstracte kunst. Hij was ook een volwaardig lid van “De Stijl”, de groep kunstenaars door Theo Van Doesburg in 1917 bij elkaar gebracht om de principes van de geometrische abstractie toe te passen voor praktische doeleinden met de hoop de wereld te verbeteren. Of de Gerrit Rietveld stoel daarin geslaagd is, heb ik niet kunnen natrekken, maar het is wel nog steeds een gegeerd verzamelobject.

De abstracte kunst is verder ook uiteraard een onderdeel van de avant-garde beweging die, vooral in Antwerpen en Brussel tussen 1917 – 1925 poogde te breken met de traditionele kunst. De dichter Paul van Ostayen is in Antwerpen een dynamische pleitbezorger voor de nieuwe kunst. Niet alleen voor de expressionisten, zoals de gebroeders Floris en Oscar Jespers, maar ook voor een van de zeldzame Vlaamse dadaïsten, Paul Joostens, die ook abstracte werken maakte. In deze vernieuwingsgezinde poel was het vooral Jozef Peeters die belangrijk is voor de geometrisch abstracte kunst. In Brussel is Victor Servranckx een zeer belangrijke pionier van de geometrische abstractie. Maar hij is niet de enige. Ook Pierre-Louis Flouquet, Felix De Boeck en Marcel-Louis Baugniet zijn fervente beoefenaars van deze nieuwe kunstvorm.

Zoals gezegd kent de abstracte kunst zowel in haar lyrische uiting, de voetsporen van Kandinsky, als in haar geometrische versie, de lijn van Mondriaan en Malevitsj, na WOII een ware heropleving. Een aantal van de belangrijke namen Gaston Bertrain, Anne Bonnet, Jo Delahaut, Luc Peire en Guy Vandenbranden. Sommigen behoren tot de groep van de Jeune Peinture Belge, de na-oorlogse Brusselse vernieuwingsbeweging. Ook voor een aantal abstracten van het eerste uur is er opnieuw plaats om met hun werk naar buiten te komen en om er nieuwe te maken. Deze oude meesters van de nieuwe kunst hebben daarom ook een rol gespeeld in de kunst na ’45. Een periode waarin overigens de abstractie niet meer weg te denken valt.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.