Camiel Van Breedam heeft het werk van Joostens pas leren kennen als hij zelf reeds volop aan de assemblage toe was. Zijn leermeester in de kunst is Octave Landuyt, van wie hij van 1955 tot 1957 niet alleen de principes van het surrealisme en een oog voor het magische van de realiteit meekrijgt, maar vooral ook een degelijke techniek. Toch heeft hij na zijn opleiding niet meer geschilderd. Plamuur werd zijn geliefkoosd materiaal: kneedbaar, wit maar kleurbaar en eens gedroogd gedoemd tot een zeer teer verouderingsproces. Nog nat is plamuur zeer ontvankelijk om dingen in vast te kleven. Zo ontstaan reeds in 1956 zijn eerste reliëfs. IJzeren staafjes en al eens een afgedankt stuk keukengerei prijken in bruinig plamuur. Het ritme van de verhouding tussen de elementen doet denken aan de abstracte schilderijen van Paul Klee, voor wie Van Breedam een grote bewondering had. De reliëfs, die in feite een soort collages zijn, nemen toe in omvang door er o.a. fietskettingen, mooi geordend, in aan te brengen. Vlug wordt de omvang zodanig dat er sprake kan zijn van een derde dimensie en de assemblage is herboren vanaf 1963. Aanvankelijk enkel met een drager die zoals een schilderij aan de muur moet hangen. Vanaf 1964 ook als losstaande objecten, dus als een nieuwe vorm van beeldhouwkunst. Dit had zich overigens al aangekondigd van bij zijn artistieke start in 1956 met een aantal zinken figuren, waaronder een haan. Wat zeker dient vermeld te worden voor de ontwikkeling van zijn werk in de beginfase is de ontmoeting met Remo Martini naar aanleiding van “Belgische Schilders Van Nu” in het Stedelijk Museum van Diest (1958). Het wordt een hechte vriendschap tussen beide. De wederzijdse invloed op hun werk is nog moeilijk te achterhalen.
Dit spontane ontstaansproces vanuit de creativiteit van Camiel Van Breedam, werd uiteraard bevrucht door goede voorbeelden. Deze kwamen aan bod in het inleidende deel over de “assemblage”. Zo goed als alles wat daar vermeld staat is toepasbaar om het werk van Van Breedam beter te begrijpen. Van bij het eerste uur van de tweede generatie assemblage kunstenaars was hij van de partij. Hij nam geen deel aan “The Art of Assemblage” in New York, maar hij beoefende die kunstvorm dan reeds vijf jaar. Hij is geen naloper. Toch mogen in de ontwikkeling van zijn werk volgende namen vermeld worden. Duchamp als vader van de readymade en de continue in vraagstelling naar wat kunst is. Schwitters als de poëet van het bij elkaar brengen van weggeworpen stukjes materiaal. Cornell als de voorloper in het inkasten van bizarre werelden. En sinds eind de jaren zestig Kienholz als de installateur van scènes vol pakkende taferelen over het miserabele van het menselijke bestaan.
Vanaf 1965 kreeg Van Breedam zin om de assemblage techniek nog verder uit te breiden. Zoals men van de collage overgaat naar de assemblage, kan men van deze laatste gebruik maken om een bepaalde omgeving volledig artistiek in te kleden. Dan spreekt men van “environment”. Dit is een breuk met de traditionele relatie tussen tentoongestelde kunst en de toeschouwer. Geen schilderijtje aan de muur, geen sculptuur op een sokkel, maar een artistieke inpalming van een ganse omgeving waarvan de kijker deel uitmaakt. Vanaf de jaren tachtig wordt voor ongeveer hetzelfde eerder de term “installatie” gebruikt. Van Breedam stelt een dergelijk “environment” voor het eerst tentoon in de galerij Saint-Laurent (Brussel, 1966) rond het thema van de Russische roulette. Hij zal dit later nog meermaals doen, waaronder een aantal keren met de uitroeiing van de traditionele indianen als thema.