Camille D’Havé

Het surrealisme is ook bij de generatie die jong was na WO II in de belangstelling gebleven. Camille D’Havé is hier een voorbeeld van. Dat hij zich van zijn interesse voor het surrealisme bewust was, lezen we in een brief aan Hugo Claus van Roger Raveel, D’Havé’s studiegenoot in de klas van Jos Verdegem op de Gentse Academie. Hierin schrijft Raveel: “Een andere losse indruk is dat de jongeren die achter die mannen (Matisse, Ernst, Dali, De Chirico) lopen het niet meer zo goed zullen doen als zij.” Tot die jongeren rekent hij D’Havé en besluit “Een oplossing als D’Havé vind ik ook maar een halve oplossing.” Raveel vindt zijn eigen oplossing uiteraard een volledige, maar uit die uitlating wordt duidelijk dat D’Havé sprak tegen zijn medekunstenaars over de surrealisten die hem boeiden.

D’Havé was geen estheet die ‘mooie’ schilderijen wilde maken. Hij probeerde er wel kracht in te leggen. Vaak met succes. Hij toont ons een vrij bizarre wereld met een aantal vaak terugkerende beelden, zonder zeer duidelijke betekenis. Op het eerste gezicht vrij amusant, speels, prettig van combinaties. Kortom, fantasie op zijn best, een sprookjeswereld zoals deze van Alice in wonderland. De beeldkeuze zelf heeft al een diepere betekenis. Ze verwijst naar de volkscultuur of noem het cultuur van de onderdrukte mens. Naast de Geschiedenis en de Ideologieën van de Groten zijn er ook nog de daadwerkelijk doorvoelde levensfilosofieën van de kleine man, die lacht met de omgekeerde wereld. Volkscultuur is een lachcultuur.
D’Havé schetst ons in zijn werk het volgende wereldbeeld. De mens is een mislukt, dus belachelijk, en tot de ondergang gedoemd wezen (de val, het puin,…). In zijn onstuitbare pogingen om zijn idealen (vogels, windmolen, Icarus, sprong over het varken,…) te realiseren mislukt hij voortdurend, niet doordat het verkeerd is de werkelijkheid te verrijken door er iets beters tegenover te stellen, maar omdat zijn idealen steeds maar illusies blijken te zijn (papieren vogels, aprilvissen, roze olifantjes, sterren,…). Toch wordt de mens niet wijzer uit zijn mislukkingen. Gedreven om een illusie-ideaal te realiseren, gaat de mens aan zijn eigenlijke zin (cfr. onschuld van de kinderwereld) voorbij. In naam van de vrede wordt oorlog gevoerd (Biafra, mon amour). Want de mens is overmoedig. De overmoed van de mens is gelegen in de verwarring tussen middelen en doelen. Techniek als middel om de leefbaarheid van de mens te verhogen wordt doel op zich (Val van Icarus). In de productieroes wordt vergeten dat het om de leefbaarheid van de mens gaat. De mens wil de natuur beheersen, overheersen, onderdrukken, maar vergeet dat hij zelf natuur is, met de gevolgen van dien. D’Havé heeft nochtans sympathie voor de zichzelf overtreffende enkeling. De dubbelzinnigheid van zijn dierensymboliek wijst in die richting. Doorheen zijn hele oeuvre wordt steeds de relatie mens-dier gelegd. De mens die zijn dier-zijn als oorsprong maar ook als feitelijkheid wenst te boven te komen. In beide mislukt hij voortdurend. In deze relatie stelt D’Havé het dier soms voor als mens of als ‘beter’ dan de mens. Bij andere gelegenheden stelt hij de mens voor als dier of verwijzend naar zijn dierlijkheid, zijn kuddekarakter.

In het spoor van zijn leermeester en geestelijke vader, Jos Verdegem, heeft hij met relatief eenvoudige beelden een aantal aspecten van de mens blootgelegd, met bijtende ironie, maar ook met tedere empathie. Verdegem is de vertolker van de melancholie. Bij D’Havé krijgt deze melancholie vaak het masker van de lachende sater. De spottende levensstijl van Verdegem is verder blijven leven in de artistieke uitbeelding van D’Havé.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.