De ‘school’ van Latem

Wanneer men in het Leiedorp verzeild geraakt en er de verwording van het Vlaamse expressionisme kan vaststellen via de toeristische exploitatie ervan, krijgt men verkeerdelijk de indruk in de bakermat van het Vlaamse expressionisme te vertoeven. Voor WO I kon de moderne kunst de twee zogenaamde kunstenaarskolonies van Sint-Martens-Latem gestolen worden. Niet vanuit onwetendheid, want Brussel toonde meermaals het kubisme en het futurisme. Men wist wat er in het buitenland gebeurde aan kunstvernieuwing. Maar de boer ploegde verder in Latem. Waarom het overigens Latem werd en geen Leiedorp verder, is enkel te wijten aan het feit dat de schilderende gemeentesecretaris, Albijn Van den Abeele (1835-1918) de kunstenaars aan een goedkope woonst kon helpen.

De eerste Latemse groep (1899-1909) keerde zich af van de stad om de staat van oorspronkelijkheid te hervinden. Op het platteland meenden ze, in nauw contact met de bodem, een primitieve wereld te ontdekken, niet bezoedeld door de moderne beschaving. Ze hoopten daar waarden als integriteit, natuurlijkheid en eenvoud te vinden. Op zoek naar die zuiverheid ging men te rade bij de kunst van de oude meesters. Het waren nakomelingen van het symbolisme dat de werkelijkheid omsluiert met waarden. Ze waren ook vooral christelijk geïnspireerd, tot aan het mystieke toe. George Minne (1866-1941) beeldhouwde in zichzelf gekeerde figuren, vaak jongelingen. Er was een link met de art nouveau, maar die werd niet verder uitgewerkt. Valerius De Saedeleer (1867-1941) bekeerde zich in 1904 tot het christendom. Zijn breugeliaanse landschappen waren religieus. In 1905 ging Gustave Van De Woestyne (1881-1947) voor enkele maanden in het klooster. Hij schilderde boeren met de spirituele ingetogenheid van een heilige.

Vanaf 1905 vormde zich een tweede kring kunstenaars in Sint-Martens-Latem. In tegenstelling tot hun voorgangers, die er ook nog verbleven, werkten ze niet symbolistisch, maar impressionistisch. Hoewel het impressionisme in Frankrijk zijn tijd al had gehad, werd het in België – na de schilderkunst van de negentiende eeuw – onthaald als een verfrissing. In de Leiestreek verbleef Emile Claus (1849-1924), die vaak als de belangrijkste Belgische impressionist wordt gezien. Hij had veel invloed op de jongere generatie. Kenmerkend voor zijn werk is dat in een impressionistisch landschap, mens en dier niet wazig voorgesteld worden, zoals bij de Franse voorbeelden. De grote namen van het Vlaamse expressionisme zijn dus als impressionist begonnen. Léon De Smet (1881-1966) is het zelfs gebleven. Maar Gustave De Smet (1877-1943), Frits Van den Berghe (1883-1939) en Constant Permeke (1886-1952) gebruikten WO I als bezinning, de tijd om tot expressief werk te komen. Tussen 1912 en 1913 is het plattelandsavontuur overigens afgelopen en keren ze terug naar de stad.

Niettegenstaande de kunstkritiek van vóór de oorlog reeds opriep om het oppervlakkige van het impressionisme te verlaten, zal de tweede groep van Latem pas vanaf 1918 op zoek gaan naar een vormsynthese. In plaats van de verleidelijke sfeer rond de dingen weer te geven, zoals de impressionisten schilderden, moest gezocht worden naar het wezen van de zaak, bondig, gebald en complex. Vormen en kleuren moesten een eigen uitdrukkingskracht bezitten. Geen frivole vlucht uit de werkelijkheid, wel een confrontatie ermee. Met dit motto van het expressionisme zijn ze pas doordrongen geraakt na een verblijf in het buitenland. Als oorlogsgewonde kwam Permeke in Engeland terecht. Frits Van den Berghe en Gustave De Smet vluchtten naar Nederland. In Amsterdam leerden ze het Duitse expressionisme beter kennen, evenals de andere avant-gardestromingen: het Franse fauvisme en kubisme, en ook het Italiaanse futurisme. Allemaal kunstvormen die naar de essentie van de dingen op zoek zijn en de schone schijn van het impressionisme verbannen.

De avant-garde van de twintigste eeuw is in België dus laat gestart. De les van de grote voorloper, James Ensor, werd te laat geleerd. Bij hem vindt men reeds kiemen van het kubisme en vroege voorbeelden van het luminisme maar vooral een overtuigende overgang van het impressionisme naar het expressionisme. Het carnavalsmasker was hier inspirerend. Zijn De man van smarten (1891) bijvoorbeeld is een toonbeeld van expressieve kracht. Pas na 1920 zou Ensor invloed hebben op de kunst die syntheses zocht. Vóór WO I keek alleen Rik Wouters (1882-1916) voor zijn kleurgebruik naar Ensor. Beiden waren tot dan de enigen die in België iets betekenden binnen de internationale avant-garde. Er is sprake van een Brabants fauvisme om een aantal kunstenaars aan te duiden die in de omgeving van het Zoniënwoud vertoefden. Het fauvisme was de eerste (1900) Franse avant-gardestijl van het begin van de twintigste eeuw. De naam werd in 1905 gegeven door de criticus Louis Vauxelles, afgeleid van ‘fauve’, wild dier. Het was een reactie tegen het muffe, met de dood flirtende, intellectualisme van het symbolisme. De liefde voor de heldere kleuren nam het fauvisme over van het impressionisme en het oog voor de kleurcontrasten dan weer van het postimpressionisme, ook wel pointillisme genoemd (Georges Seurat en Théo van Rysselberghe in België). In tegenstelling tot deze negentiende-eeuwse stroming verbond het fauvisme de kleur niet aan een tijdelijke visuele waarneming van de natuur. De kleuren werden vrij gebruikt in hun eigen, zuiver gewaande betekenis. Het resultaat is een vitalisme, een verheerlijking van het aardse leven. Er werd ook zeer krachtig geschilderd met wilde verfstroken. Ook hierin verschilt het van het impressionisme. Door deze wil om zich uit te drukken kan men het een Frans expressionisme noemen, dat vooral in de lichtheid van de kleuren verschilt van het Duitse, maar ook van de sombere okers en bruinen van het Vlaamse expressionisme. Naast Rik Wouters (1882-1916) is ook Ferdinand Schirren (1872-1944) een interessante vertegenwoordiger van het Brabantse fauvisme.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.