Fred Eerdekens (1951- )

Hoewel een geestesverwant van Rombouts, is Fred Eerdekens toch op een andere manier bezig met taal als artistiek medium. Rombouts bespeelt de toevalligheid van het letterteken en de mogelijkheden om om het even welk object geen dode letter te laten zijn. Men kan Rombouts dus onderbrengen bij de groep conceptuele kunstenaars die kritiek leveren op de wetenschap – in dit geval dus de taalwetenschap – door fictief en intuïtief zelf wetenschap te beoefenen: gegevens verzamelen, ordenen en analyseren. Eerdekens doet dit niet. Hij bekijkt het letterteken als teken en slaat een wig tussen de twee onafscheidelijke delen van het teken. De reeds aan bod gekomen de Saussure heeft twee begrippen in het leven geroepen om die twee aspecten van het teken te onderscheiden. De vorm van het teken, in beeld of in klank heeft hij “Signifiant” genoemd, betekenaar, dat wat maakt dat er betekenis ontstaat. De betekenis zelf noemde hij “Signifié”, in het Nederlands werd dit: betekende.

In het werk van Eerdekens worden er wiggen geslagen tussen beide. Want hoewel ze onscheidbaar zijn, kan men toch de aandacht vestigen op een aspect en zelfs vergeten dat het andere bestaat. Eerdekens plaatst ons op de tweespalt van deze keuzemogelijkheid. Enerzijds zie je een tekst op een wand verschijnen als een schaduw via een onderbroken lichtbron (een spot, maar ook al eens een kaars). Volgt men de weg van de betekenis, dan vraagt men zich af: “Wat wil dat zinnetje zeggen?”. Er is een link met de poëzie, maar die is er maar half en half. De regels ervan worden getoond: het rijm, het cliché, de vervalsende vertaling en vooral ook het anagram, d.i. de herschikking van de letters van een bepaald woord. Het verlangen om te lezen en te begrijpen wordt in hoge mate opgewekt in het werk van Eerdekens. Zoekt men naar de lettervorm dan blijkt die op het eerste zicht niet te bestaan. Het zijn slechts schaduwen van vormen die geen letters zijn. Wat de lichtbron onderbreekt is geen geijkt schrift. Met zijn naam verbonden zijn de zorgvuldig geplooide koperdraadjes. Maar die zijn op zich onleesbaar. De meest diverse vormen kunnen een bron zijn van letterschaduwen: struikgewas, kleding, verpakte etenswaren, architectuurmaquettes, boeken, enz.(5)  De relatie tussen de vorm die de lichtbron verspert en de leesbare schaduwen blijkt te verlopen volgens de regels van het perspectief. Men kan ook de betekenis negeren en naar een beeldend werk kijken. Want zoals Eerdekens zelf schrijft in een brief: “Ik gebruik taal in mijn werk als een gewoon beeldend element, met een eigen logica en een geheel eigen uitstoot”. Boeiend blijft dat de toeschouwer op de wip gezet wordt tussen taal en beeld.

Zowel Eerdekens als Rombouts hebben een conceptuele kunst ontwikkeld waarin taal een medium is om kunst te maken en tevens voorwerp is van reflectie over hoe de taal werkt. Door hun artistieke afwijking van de gevestigde taal, begrijpen we beter hoe deze laatste in elkaar zit. “Geen ketter zonder letter” is het gezegde of zoals alweer Roland Barthes het formuleert: “Indien de kunst (laat ons nog maar dit gerieflijke woord gebruiken om elke onfunctionele activiteit aan te wijzen) enkel tot doel had om beter te doen zien, dan zou ze niets anders zijn dan een analysetechniek, een ersatz van wetenschap. Maar door het willen produceren van het andere dat in het ding is, ondermijnt ze een hele kennisleer.”(6)

5) F. Eerdekens, The Retina Diamond, catalogus MUHKA, Antwerpen, 2002.
6) O.c., p. 203.


© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.