Het medium brons

Sinds men het bronsgieten onder de knie heeft, is brons een van de meest geliefde materialen voor het vervaardigen van beeldhouwwerken. Reeds een paar duizend jaar voor onze tijdrekening vindt men sporen van het werken in brons, en dit zowel bij Wes­terse, Oosterse als Afrikaanse culturen, telkens ook vertegenwoordigd door meesterwerken.

De Grieken en de Romeinen hebben mooie bronzen beelden gegoten, maar de meeste werden versmolten en in kanonnen hergoten. Elke periode heeft zo zijn prioriteiten. De Renaissance kende hoogtepunten, denk maar aan de spreekwoordelijk geworden naam van Benvenuto Cellini. Maar ook de moderne kunst heeft beroep gedaan op het brons als medium om de creaties van beeldhouwers duurzaam te maken. Slechts in de jaren zestig, zeventig komt er een kentering, ook al omdat de idee van bestendiging wat in tegenspraak was met de dan heersende opvatting dat kunst best vergankelijk mocht zijn. Het proces werd vaak belangrijker geacht dan het product, dat evenwel wegwerpbaar mocht zijn. Dit laatste gebeurde doorgaans niet vooraleer er een foto gemaakt was.

Toch goten de gieters verder, ook nadat de naam “moderne Kunst” overging in “Hedendaagse Kunst”. Het dieptepunt van de hogerop aangehaalde periode, had ook te maken met het experimenteren met nieuwe gietmaterialen. Vooral polyester maakte toen zijn opgang. Het geflirt – soms uit financiële noodzaak – met de industriële materialen, luwde overigens vrij snel. Het nieuwe was er vlug af. Brons kreeg zijn waarde terug. Vooral de beleggende collectioneurs hadden er meer vertrouwen in. Van de Franse kunstenaar, Arman, vertegenwoordiger van het Nouveau Réalisme, die in de jaren zestig eigenhandig stukgeslagen violen op panelen kleefde, is nu een overvloed aan bronzen vioolcomposities op de markt. Een beter voorbeeld van hoe de artistieke revolte kan stollen, kan ik niet bedenken.

Begin de jaren tachtig kwam brons zelfs terug in de mode. De Italiaanse transavant-garde schilders begonnen ook met bronzen beelden te laten maken. Vermits het schilders waren, was het niet verwonderlijk dat ze de beelden beschilderden zodat men het metaal niet meer kon herkennen, tenzij door er even op te kloppen. In de tweede helft van de jaren tachtig hebben ook de conceptuele kunstenaars de kwaliteiten van het brons ontdekt. Kenmerkend voor deze postmoderne versie van de conceptuele kunst is precies dat, in tegenstelling tot de stichters, ze de concepten wel degelijk wilden uitgevoerd zien. Ze staken hiervoor hun handen niet uit de mouwen. Het ambachtelijke werd als het ware zelf een concept. Dat heeft mooie resultaten opgeleverd, maar ook problemen. Het ambachtelijke is een vorm van doordacht handelen.

Hoe vernuftig het ook te werk kan gaan, toch zijn er grenzen eigen aan het vak, die niet samenvallen met hoe de kunstenaar het als concept gedacht en graag gezien had. Maar vermoedelijk is precies deze spanning tussen denken en doen, tussen ambacht en concept een interessant artistiek probleem. Na de economische crisis toegeschreven aan de golfoorlog, die ook het brons gieten even lam heeft gelegd, kwam het brons gieten ook terug in trek bij beeldhouwers die het maakproces precies zichtbaar wilden maken, in tegenstelling tot de oude gewoonte bij brons om de sporen te verbergen.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.