Het neodadaïsme

Wanneer men tijdens  een lezing de “Fontein” (1917) van Marcel Duchamp toont, oogst men bij sommige publieken vandaag nog een storm – weliswaar in een glas water – van verontwaardiging. Dat deze fontein, die in feite een pissijn is en daarenboven een in acht exemplaren verkochte replica uit 1963, opzichtelijk voorzien van de handtekening “R. Mutt”, een keerpunt is in de kunstgeschiedenis, valt moeilijk te geloven. Zeker niet door het publiek waarvoor het bestemd was: “pour épater les bourgeois”.

Het begin van de moderne kunst (±1875 als men er de voorlopers niet bijrekent) betekende wel een vernieuwing, maar met een aantal vaste waarden was het geen breuk: vakmanschap, waardevolle taferelen uit de realiteit van het dagelijkse leven, het geloof in het bestaan van schoonheidscriteria, burgerlijke idealen, de verfraaiingsfunctie, enzovoort. In theologische bewoordingen zou men deze kunstenaars “ketters” kunnen noemen. Ze wilden afwijken van de traditie vermits ze overtuigd waren dat hun visie op kunst beter was. Heiliger dan de paus, maar niet tegen de bijbel. Toch bereid een maatschappelijke kruisiging te ondergaan op voorwaarde dat het naderhand relikwie wordt ter staving van hun gelijk. Dit is nu eenmaal de moedwilligheid van het kunstenaarsschap. Deze ketterse verhouding met wat voorbij is en met wat zijn waarde uit het statuut van de traditie haalt, is niet alleen het kenmerk van het impressionisme, maar geldt even goed voor het expressionisme en eigenlijk ook voor het kubisme. De scheve neuzen van Picasso zijn een afwijking van de esthetiek van de rechte neus, van het realisme dus, maar ze zijn geen ontkenning van de opvatting dat kunst een “Schone” manier moet zijn om de werkelijkheid uit te beelden. Men kan stellen dat deze ketterse houding het uitgangspunt is van vele avant-gardestromingen in de twintigste eeuw.

Er bestaat een andere vernieuwingbrengende houding in de kunst. Ditmaal niet ontleend, zoals “ketter”, aan de theologische, maar wel aan de politieke terminologie, namelijk “omwenteling” of “revolutie”. Hier worden geen correcties aangebracht die men als een verbetering beschouwt, maar wordt er gebroken met de basisprincipes zelf van wat voordien bestond. Slechts een beperkt aantal avant-gardestromingen hebben een dergelijke stap gewaagd. Revolutionaire mogelijkheden zijn nu eenmaal zeldzaam vermits cultuur zo goed als synoniem is van “traditie”. (1) Cultuur is het gevolg van een dynamisch proces tussen goede en slechte tradities. Voor de goede wordt gevochten om ze te bewaren, voor de slechte om ze te veranderen. Deze dynamiek wordt nog boeiender wanneer men niet vergeet dat wat de enen een goede gewoonte noemen, door de anderen als een slechte bekeken wordt. De “revolutie” is in elk geval de meest drastische ommekeer van één van beide toestanden.

Een voorbeeld van een revolutie in de moderne kunst is de abstracte kunst die een einde stelde aan de link tussen het kunstwerk en de zichtbare dingen uit de werkelijkheid. De verhouding tussen vormen en kleuren was op zich genoeg. Kandinsky (1910), Mondriaan (1914) en Malevitch (1913) waren de eersten om dit soort kunst te beoefenen. Deze laatste zijn “Wit vlak op wit doek” was vrij vlug het meest extreme voorbeeld van dergelijke artistieke omwenteling, vandaag nog voor velen even storend als de al genoemde “Fontein” van Marcel Duchamp. En inderdaad is ook het “dadaïsme” waartoe Duchamp behoort, een schoolvoorbeeld van revolutie in de kunst.

Meer lezen over dit onderwerp

Comments are closed.