Op zijn ruimst genomen is kinetische kunst elke vorm van beeldende kunst waar een beweging aan te pas komt. De op-art, waarbij het kunstwerk zelf niet beweegt maar het een bewegende indruk geeft, is er dan een onderdeel van. Toch vat men beide kunstvormen beter op als verwant, maar verschillend. Al was het maar omdat de respectievelijke beoefenaars van dit soort kunst al eens in ruzie lagen. Uit de theoretische discussie rond de vraagstelling “Moet het kunstwerk zelf bewegen of moet het de illusie opwekken te bewegen?” raakten ze niet uit.
Eigenlijk kan men de wijze waarop dynamiek gebracht werd in wat traditioneel statisch placht te zijn, opdelen in vier categorieën. Er zijn ten eerste de werken die daadwerkelijk bewegen via verschillende manieren van aandrijven, bijvoorbeeld door elektriciteit of magneten, maar ook gewoon door de wind. Daarnaast zijn er werken die hun kinetisch effect verkrijgen doordat de toeschouwer beweegt. Op-art (een afkorting van optical art) is hiervan een goed voorbeeld. Door zich te verplaatsen ontvangt de toeschouwer optische elementen in wisselende relaties, wat de illusie van beweging wekt. Ten derde zijn er werken die door licht tot stand komen. Dit resulteert in kleureffecten bijvoorbeeld, of in het inpalmen van de ruimte. Het eerste sluit meer aan bij de schilderkunst, het tweede bij de beeldhouwkunst. Neon geniet hier vaak de voorkeur. Ten slotte zijn er de werken waar de toeschouwer verondersteld wordt deel te nemen aan het in beweging brengen. Het kunstwerk geeft een aantal mogelijkheden aan waartussen de toeschouwer moet kiezen.