Kubisme en constructivisme

Het kubisme is misschien wel de belangrijkste avant-gardestroming, omdat het radicaal breekt met de klassieke wijze van kijken en tevens omdat het zo vroeg kwam in de geschiedenis van de kunstomwenteling. Daarenboven is het lang van kracht geweest, wanneer men ziet hoe vernieuwend het nog was en welke invloed het nog speelde na WO II bij de jonge generatie.

Bij het ontstaan van het kubisme (1907) was Henri Bergson (1859-1941) de meest populaire filosoof van Europa. Zijn colleges werden bijgewoond door een groot deel van de Parijse elite. Doorgaans wordt het kubisme in verband gebracht met zijn denken over tijd. De tijd van de natuurkundigen is niet reëel. Het is een abstract brouwsel dat we om praktische redenen nodig hebben. Fysische vergelijkingen zouden geenszins veranderen indien het geheel van de werkelijkheid in een enkel beeld getoond zou worden. De reële tijd, door Bergson ‘durée’ genoemd, is noch homogeen, noch deelbaar. Het is geen eigenschap die we van de beweging kunnen loskoppelen, maar het is in feite wat ieder van ons is: we weten het intuïtief, uit directe ervaring. De reële tijd is, volgens Bergson, alleen mogelijk dankzij het geheugen, waarin het verleden in zijn volheid ligt opgestapeld. In de feitelijke ‘durée’ gaat niets verloren, maar evenmin is iets omkeerbaar: elk ogenblik draagt in zich de hele stroom van het verleden en elk moment is nieuw en onherhaalbaar. De verwantschap tussen Bergson en het kubisme is duidelijk. Toch mag men hier ook Nietzsche niet vergeten die een perspectivistische filosofie ontwikkelde. Het waarheidsbegrip verving hij door een veelheid van invalshoeken die vele interpretaties mogelijk maken in plaats van de feiten vast te stellen. Het kubisme is een uitbeelding van dit perspectivisme. Deze nietzscheaanse visie kwam pas tot bloei na WO II via de Franse structuralisten om haar hoogtepunt te beleven in het postmodernisme.

De bereidheid om met de eenduidigheid van de ruimtebepaling te breken en de dubbelzinnigheid van het kunstwerk als regel te stellen is belangrijk als men leest hoe moeilijk een van de grootste kunstwetenschappers van de twintigste eeuw, Gombrich, het in Art and illusion (1959) nog heeft met het kubisme. Hij legt weliswaar voortdurend de nadruk op de meervoudigheid van de interpretaties, maar hij wijst ook op de onmogelijkheid om er tegelijkertijd twee strijdige zienswijzen op na te houden. Iets wat het kubisme precies wel doet. Gombrich zegt dan ook dat hij gelooft dat het kubisme de meest radicale poging is om de dubbelzinnigheid uit te roeien en een enkele lezing van het beeld af te dwingen, nl. een door de mens gemaakte constructie. Braque bijvoorbeeld, gebruikt het perspectief, de textuur en de schaduwwerking niet om harmonisch samen te werken, maar om ze met elkaar te laten botsen. Door de onderlinge verhoudingen op hun kop te zetten, maakt Braque duidelijk dat het hem te doen is om een oefening in het schilderen en niet in het oproepen van een illusie. Het kubisme laat geen illusionaire interpretatie toe door het invoeren van strijdige aanduidingen die zich teweer stellen tegen de consistentietest. In het kubisme spelen zelfs de coherente vormen verstoppertje in het onvatbare net van opengelaten dubbelzinnigheden. Het kubisme heeft de blik wandelen gestuurd.

Het kubisme wordt doorgaans opgedeeld in analytisch en synthetisch. Het baanbrekende werk van Picasso Les Demoiselles d’Avignon (1907) moet als een voorloper bekeken worden, eerder dan als het eerste kubistische werk. Men kan zelfs stellen dat Picasso de verdere evolutie van het kubisme heeft moeten doorlopen vooraleer hij de pionierswaarde van zijn werk met scheve neuzen kon inzien. Zo gesteld komt het dan ook Braque toe om de eerste kubist te worden genoemd. Het vloeide voort uit zijn grondige studie vanaf 1908 van het oeuvre van Cézanne. Deze was zelf al bezig met de derde dimensie in zijn werk op te roepen en tegelijk meerdere gezichtspunten weer te geven. Hoe dan ook is het kubisme het resultaat van de samenwerking tussen Braque en Picasso, van 1909 tot 1914. Tot 1911 werd het zogenaamde ‘analytische kubisme’ ontwikkeld. Dit is het kubisme dat op experimentele wijze onderzoekt in hoeverre de realiteit herleidbaar is tot geometrische vlakken. Meestal vertrekkend van stillevens. Hier komt het kubisme dicht bij de abstractie. Maar die stap wordt enkel door Mondriaan en Malevitsj gezet. De abstrahering wordt nog benadrukt door weinig kleurvariaties, vaak alleen bruin- of grijstonen. In facetten vloeien vlakken door elkaar. De ruimte is zo georganiseerd dat ze onverwacht breekt met de wijze waarop in de schilderkunst gewoonlijk de diepte voorgesteld wordt. De kennis over een object primeert hier op wat er te zien is. Uit de geanalyseerde fragmenten moet de toeschouwer een beeld heropbouwen.

Vanaf 1911 wordt door beide kunstenaars het ‘synthetisch kubisme’ ontwikkeld. Dit staat minder dicht bij de abstractie. Voorwerpen staan centraal en krijgen door die aandacht een symbolische betekenis. In plaats van de werkelijkheid te herleiden (analyse) tot geometrische vlakken, worden voorwerpen opgebouwd (synthese) uit abstracte fragmenten volgens een warrig ritme. De kleur is teruggekeerd.

Het kubisme kan als een knooppunt bekeken worden voor tal van stromingen in de vernieuwingsbeweging die vóór WO I aan de gang was. Het is dan ook niet te verwonderen dat het in de nieuwe start van de moderne kunst na WO II door die jonge generatie, die zichzelf in het modernisme wilde vinden, aangegrepen werd als inspiratiebron.

Het constructivisme

Een uitloper van het kubisme is het constructivisme dat, samen met het suprematisme van Malevitsj, een zeer belangrijk aspect van de Russische avant-garde uitmaakt. Het constructivisme is vrij duidelijk afgeleid van het woord ‘constructie’ dat nieuw was in de kunst en een uitdaging vormde voor de wijze waarop de traditionele figuratieve beeldhouwkunst gemaakt werd. Er werd gebroken met de gewoonte van de klassieke beeldhouwers om alle aandacht te geven aan de verschijningsvormen van het menselijk lichaam. Vandaar dat de term ‘constructie’ verkozen werd boven ‘compositie’. Industriële materialen en zelfs commerciële producten werden verkend om artistieke constructies te maken. Het mechanische verving de subjectieve impact. Dat was niet alleen nieuw in de kunst, het was ook de uitdrukking van een nieuwe tijd, de moderne. Ideologisch sloot het aan bij de opbouw van een communistische sociale realiteit die in 1917 per definitie nog veelbelovend was.

Vladimir Tatlin (1885-1953) was overtuigd dat nieuwe materialen, volumes en constructies de basis moesten zijn voor een nieuwe sociale realiteit. Het hoofdkenmerk van het constructivisme is dat de materialen de vorm dicteren en niet omgekeerd. Hout, metaal en glas leggen verschillende constructies op. Tatlin ging zelfs zo ver te spreken over de ‘waarheid van materialen’. Volledig in de geest van het modernisme wilde het constructivisme uitgaan van een noodzakelijkheid om via materialen vormen te construeren. Tatlin had het na 1914 in dat verband van ‘tegen-reliëfs’: noch beeldhouwwerk, noch schilderij, noch architectuur. De constructies ontsnappen aan die drie categorieën. Er werd veel geëxperimenteerd en het woord ‘laboratorium’ werd uit het wetenschappelijke jargon overgenomen.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.