Kunst als maatschappijkritiek

Haacke is een echte maatschappijkritische onderzoeker die via zijn werk de maatschappelijke machinaties, zeg maar “de truken van het circus”, probeert bloot te leggen. In die zin wordt de kunstenaar een wapenbroeder van de maatschappijkritische filosoof. De naam van de Franse filosoof, Michel Foucault (1926-84) mag hier zeker vallen, namelijk in de wijze waarop de “waarheid” bepaald wordt door de maatschappelijke machtsstructuren. Hans Haacke heeft zich vanuit een dergelijk “onderzoek” dan ook toegelegd op de banden tussen de commerciële wereld en de kunstmarkt. De vraag of iets kunst is, is eigenlijk alleen maar belangrijk binnen een economisch verband. Zolang het probleem van de definitie van kunst een zaak is van een onderonsje tussen filosofen en kunstenaars is er geen gevaar. Kunstenaars zeggen dat kunst dat is wat ze maken of doen en filosofen hebben als stiel om het niet met elkaar eens te zijn. Als binnen een economisch verband blijkt dat iets geen kunst is of op zijn minst niet de grote kunst die voorgewend werd (cf. de Andy Warhol authenticiteitbewijzen) dan is er een groot probleem, meetbaar in onklare munt. Kritische kunstenaars, zoals Hans Haacke, die de relatie tussen geld en kunst blootleggen, hebben vaker te maken met rechters die hun tentoonstellingen sluiten dan met voorzitters van de Kamers van Koophandel die ze openen. Toch zijn ze niet zo dom te denken dat de kunstwereld aan een dergelijk financieel systeem kan ontsnappen. Dit is wat men in het kritische jargon van de jaren zeventig “recuperatie” is gaan noemen. Van Dale vermeldt in dat verband enkel iets als het terugwinnen van grondstoffen of van lichaamskrachten, maar politiek-filosofisch gezien betekent het dat men iets zodanig inkapselt dat de kritische kracht verloren gaat. Maatschappijkritische werken blijken uiteindelijk trofeeën te zijn waarmee rijke collectioneurs zich onderscheiden van het gewone volk.

Bovenstaande notie van “recuperatie” of inkapseling van het maatschappijkritische effect, mag niet beletten om toch een grote rol toe te bedelen aan de (conceptuele) kunst als geweten van de samenleving. Vergeten we ook niet dat het begin van de conceptuele kunst historisch samenviel met de als zeer imperialistisch overkomende oorlog in Vietnam. Daarenboven valt de mei ‘68-revolte er middenin. In die periode waren de meeste linkse intellectuelen marxist. Vooraleer men in de universitaire refters aan de soep toe was, had men vijf pamfletten van verschillende marxistische strekkingen in de hand gestopt gekregen, zodat de soep zelden te heet gegeten werd.

In België zijn er niet teveel vertegenwoordigers van de maatschappijkritische versie van de conceptuele kunst. In het Franstalig deel is er de groep CAP, de afkorting voor “Cercle d’art Prospectif”, die sinds 1972 actief is, met als belangrijke leden Jacques Lennep, Jacques Lizène en Jacques-Louis Nyst. Het punt van overeenkomst is dat ze werken rond het concept “relatie”. Een kunstwerk is zelf een voorbeeld van een bijzondere relatie tussen de elementen en verder is uiteraard de relatie met het publiek zeer belangrijk. In Vlaanderen zijn er o.a. Jef Geys en Roland Van den Berghe.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.