Kunst en taal

Taalfilosofie

De conceptuele kunst flirt graag met het denken van Wittgenstein. Hij behoort tot een stroming die men de “taalanalytische” wijsbegeerte noemt. Zoals de naam het zelf zegt, analyseren zij de taal. Ze gaan ervan uit dat er gedurende de tweeduizendvijfhonderd jaar Westerse filosofie veel te weinig omzichtig met het taalgebruik werd omgesprongen. Vooral het woord “zijn” moet het ontgelden. “Zijn” wordt immers op twee verschillende manieren gebruikt. Het doet niet alleen dienst om een kenmerk aan te duiden, maar tevens om het wezenskenmerk aan te geven van iets. Tussen beide wijzen van aanwenden gebeuren vaak verschuivingen. Wat slechts een kenmerk is van iets, wordt vlug bekeken als de essentie. Alle zelfstandige naamwoorden die eindigen op “-heid” zijn in dat zelfde bedje ziek. Deze denkwijze om kenmerken te laten overvloeien in essenties heeft de filosofie al van bij Plato beheerst. Uit die tijd stammen overigens ook de eerste kritieken. Zo Antisthenes, leerling van Socrates, die stelde dat hij een paard kon zien, maar de “paardheid” niet. De taalanalytische filosofen hebben van het gebruik van het woord “zijn” een belangrijk thema gemaakt. De conceptuele kunstenaars hebben daarop ingespeeld. Een van de toonaangevende figuren van de conceptuele kunst in de tweede helft van de jaren zestig, de Amerikaan, Joseph Kosuth is hiervan een schoolvoorbeeld. Conceptuele kunst is voor hem de kunst die de fundamenten zelf van het begrip “kunst” steeds weer in vraag stelt. Zeer bekend is zijn werk “One and Three Chairs” (1965). Tegen de wand staat een echte stoel, een readymade à la Duchamp dus. Links hangt een foto met daarop dezelfde stoel, op hetzelfde formaat afgedrukt als de echte. Rechts prijkt een sterk uitvergrote definitie van het woord “chair”, zo uit het woordenboek geplukt. “Ceci n’est pas une pipe” van Magritte is niet veraf. Hier wordt inderdaad gespeeld met het woord “zijn”. Drie keer kan het woord “zijn” hier op een totaal andere manier gebruikt worden. Het lijkt hetzelfde maar de ene keer is het de werkelijkheid, de andere keer een afbeelding ervan en tenslotte de definitie. De stap naar de mystiek is gauw gezet. Men kan het werk immers zien als een triptiek, die verwijst naar de Heilige Drievuldigheid. Een stoel is geen kruis, maar hier kan hij wel staan voor Christus als op aarde gekomen God. De maker van de definitie is uiteraard God de Vader. En de verwantschap tussen de Heilige Geest en de fotografie als het letterlijk “schrijven met licht” is vlug gelegd. Deze interpretatie neem ik echter volledig voor mijn rekening. Wat niet wegneemt dat de conceptuele kunstenaars zelf zich bewust zijn van deze mystieke dimensie van de kunst. Een ander boegbeeld ervan, Sol LeWitt (1928), is hierin zeer duidelijk. De eerste van een reeks uitspraken over kunst luidt: “conceptuele kunstenaars zijn eerder mystici dan rationalisten. Zij komen tot conclusies die buiten het bereik van de logica liggen.”(1) Deze gedachte stond oorspronkelijk (1969) in een tijdschrift van een groep conceptuele kunstenaars, “Art & Language”, waartoe ook Kosuth behoorde. De naam zelf spreekt duidelijke taal.

Meer lezen over dit onderwerp

Comments are closed.