Octave Landuyt (1922- )

 

Om aan de jonge generatie uit te leggen wat Octave Landuyt betekent, zou men kunnen zeggen dat hij in de jaren zestig het succes had dat Luc Tuymans in de jaren negentig te beurt viel. Toen uiteraard zonder de communicatieve middelen van vandaag.

Vanaf het begin van de jaren vijftig heeft hij een fantasierijke wereld ontwikkeld waarin mens en dier in een beklemmende vervreemding voorgesteld worden. Inderdaad, zowel het dierlijke van de mens als het menselijke van het dier komen in hun dubbelzinnigheid tot uiting. Waar zit de overgang? De kikvors, de aap, de hond, ze zijn onze broeders. Vooral de ogen spelen hier een grote rol. Ze viseren de kijker. Ze spreken ook. Dit in schril contrast met de mond, die doorgaans open, toch verstomd blijft. Wie is het onwezenlijke wezen? De wat buitenaards aandoende figuur, die door Landuyt gecreëerd werd of de toeschouwer die in een onheilswereld leeft? De in de leegte – hoe overvol ook – starende mens, vertwijfeld over de (on)zin van het leven, vervreemd van de medemens en zijn omgeving, is inderdaad de levenslange thematiek van Landuyt. Hierin sluit hij, zoals velen van zijn generatie, aan bij het existentialisme van Sartre, voor wie thema’s zoals angst en wanhoop, maar ook vrijheid en verantwoordelijkheid, de hoofdvragen uitmaakten. Landuyt toont ons de mens in zijn beklemming, soms zelfs benadrukt door een helm. Lichamen gaan soms vervaarlijk op mummies lijken. Landuyt poogt zich in te voelen in het eigenaardige anders-zijn van zijn medemens. Of zoals hij zelf schrijft: “Ik tracht mijn tekorten bij te werken, – de buitenstaander, de andere, het medeschepsel, de E.T. te ontmoeten in mezelf. Je moet dan wel veel en overal, dikwijls gaan aankloppen, oog onder ogen zoeken in de tranen van het menselijk collectief. (1)

Zijn bevreemdende figuren nemen doorheen de evolutie van zijn oeuvre verschillende gedaanten aan. Vanaf het begin van de jaren vijftig zijn dat levensecht geschilderde figuren die in een wat ongemakkelijk perspectief staan, met de blik vaak op oneindig. Deze werken vertonen een verwantschap met dat van de Hollandse schilder Carel Willink (1900-1983). Tussen 1956 en 1958 maakt Landuyt, via het laboratorium van een bevriend onderzoeker aan de Universiteit van Gent kennis met de letterlijk te nemen innerlijke kant van het leven via de microscoop. De wereld van het organische gaat voor hem open. Hij gaat die ook schilderen. Men heeft die werken soms ten onrechte abstract genoemd, een naam die men bezwaarlijk kan geven aan de structuur van de ontwikkeling van het leven. Landuyt kopieert niet wat hij ziet, maar “brodeert” er verder op. Hij knoopt zijn wereld aan deze van de structuur van de weefsels. De knoop is overigens een belangrijk begrip in zijn denken over het leven. Wat hij ontdekt via de microscoop, vergroot hij uit op doek. Niet als een nabootsing, maar als een eigen maaksel waarin mogelijke structuren gesuggereerd worden. Hij beseft dat hij met een vergrootglas zicht op de magie zelf van het leven krijgt. Deze magie is in feite weliswaar biologie, maar de kunstenaar heeft precies de kracht om voorbij het biologische weten suggesties te doen. Hierin schuilt het magische.

Wanneer in zijn werk de thematiek van de innerlijke landschappen verdwijnt, blijven er toch nog veel sporen achter in de wijze waarop hij de huid en de omgeving van zijn gedaanten schildert. Zijn figuren zijn ondertussen geen angstig starende mensen meer, in een bevreemdend decor met ongewoon perspectief. De vervreemding heeft hen als het ware bekropen. Wisselend benadert zijn schilderswijze nu eens een meer expressionistische toets, dan weer de nauwkeurig in de hand gehouden perfectie van de oude meesters. Een toewijding aan het métier is echter steeds aanwezig. Het eindresultaat van een schilderij is het gevolg van lagen boven elkaar waardoor een bepaalde diepte verkregen wordt, die vaak afwezig is bij de zogenaamde “moderne” schilders. Landuyt beperkt zich overigens niet tot de verf als medium. (2) Hij is ook beeldhouwer in brons en keramiek. Tevens heeft hij een apart oeuvre van juwelen opgebouwd. (3) Deze verscheidenheid vertrekt vanuit de overtuiging dat “hoe” een werk tot stand komt onlosmakelijk verbonden is met het materiaal waarin gewerkt wordt. En zoals we weten, primeert in geval van kunst het “hoe” op het “wat”.

Landuyt ziet zichzelf niet als een surrealist. Daarmee bedoelt hij dat hij niets wenste maken te hebben met wat we hogerop het surrealisme in de strikte betekenis hebben genoemd, nl. dat onder de leiding van André Breton. Voor hem was het te autoritair georganiseerd. Vermoedelijk houdt hij ook niet van de naam “magisch realisme”. Deze ontkenning ten spijt, heeft zijn werk er toch de kenmerken van. De realiteit is voor hem een “staat”, dit betekent een toestand die steeds verandert. Zijn we zeker dat we niet in een droom leven? Misschien ontwaken we in een droom in plaats van eruit? Voor Landuyt zien we niet wat we zien. De beelden verschuiven steeds. In tegenstelling tot het surrealisme is het niet zijn bedoeling om de dingen in een raar verband te brengen. Hij wil de rariteit in de dingen tonen. Zoals hij zelf zegt, schildert hij bijvoorbeeld geen kat met een vlammenzee als staart om een ongewoon beeld op te hangen. Hij zorgt ervoor dat de kat zelf een bevreemdende uitstraling heeft.

Een belangrijk kenmerk van zijn werk is, ten slotte nog zijn zoektocht naar de onderliggende regels van de realiteit. Vandaar zijn interesse voor de wiskunde, die in feite eerder een magie van de wiskunde is. Het geloof in bepaalde verhoudingen en symmetrieën is voor hem geen cultureel gegeven maar een natuurlijk feit. Het toeval beschouwt hij dan ook wonderwel niet toevallig, maar als noodzakelijk in de ogen van wie ogen heeft.

1. O. Landuyt, “Jij, Bijvoorbeeld”, Hasselt, 2000
2. E. Langui, “Octave Landuyt”, Brussel, 1979
3. Ph. Roberts-Jones, “Octave Landuyt”, Aurum Flandriae, Zellik, 1994

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.