Panamarenko (1940 – )

Panamarenko behoorde in het begin van de jaren zestig reeds tot de opmerkelijke jonge kunstenaars. Het Icarus-thema, de mens die wil vliegen en de eraan verbonden tragische overmoed, was van bij de aanvang zijn wereld. De naam “Panamarenko” is uiteraard een pseudoniem. Hij verwijst naar Pan American Airlines (Pan Am), een toen bekende luchtvaartmaatschappij. Het element “enko” doet Russisch aan. De beide grote mogendheden en hun tegenstellingen zitten erin vervat. Doordat ze verbonden worden door een “-a” zit ook Panama in de naam, de vrijstaat waar dingen mogelijk zijn die elders niet geduld worden. Op zijn werken tekent hij overigens soms met “Panama”. Zijn naam getuigt overigens ook van de prille aanwezigheid van internationale ambities, die hij intussen gerealiseerd heeft. Hij wordt wel eens de meest bekende levende Belgische kunstenaar genoemd.

Tot wat men de woeligheid van de jaren zestig is gaan noemen, behoort ook het publiek optreden van de beeldende kunstenaars, die niet slechts in de beslotenheid van het atelier wensten te werken. Samen met de schilder Hugo Heyrman speelde Panamarenko een stimulerende rol bij de organisatie van de happenings. Niet het eindpunt was belangrijk, maar het proces, het laten zien hoe kunst tot stand komt. Niet met pedagogische doeleinden maar om de activiteit intenser te maken en er het publiek zo veel mogelijk bij te betrekken.

Om het oeuvre van Panamarenko wat te situeren zijn er twee stromingen die zeker moeten aangehaald worden. Zoals Broodthaers heeft hij ook een eigen verwerking gedaan van de Amerikaanse pop-art. Het vliegtuig is een voorbeeld van de alledaagse wereld waar voor de pop-art zich interesseerde als reactie op de te ver van de concrete werkelijkheid verwijderde abstracte kunst. Men zou het werk van Panamarenko een vorm van Vlaamse pop-art kunnen noemen. Toch speelt hij daarvoor te weinig in op de banaliteit van die werkelijkheid.

Een tweede bron van verwantschap brengt hier verheldering. Via de kunstenaar Bernd Lohaus en de toen belangrijke galerij “Wide White Space”, leerde hij Joseph Beuys kennen. Beuys staat bekend voor wat men de “individuele mythologie” noemt. Deze benaming ontleent haar kracht aan de tegenstelling in de twee termen. Een mythologie behoort immers toe aan een groep, maar een kunstenaar kan die ook zelf verzinnen. Het is dus een kunstvorm waarbij de kunstenaar een eigen al dan niet echt beleefd levensverhaal verbindt met voorwerpen die vaak als installatie opgesteld staan. De vliegwereld van Panamarenko is zo’n individuele mythologie. Men kan Panamarenko dan ook bekijken als een conceptuele kunstenaar.

Wat zijn relatie met de wetenschap betreft, spreekt hij zelf duidelijke taal: “Ik ben geen wetenschapper, noch iemand die kunstvoorwerpen maakt. Het belangrijkste voor mij is dat er af en toe een soort poëzie schuilt in wat ik maak” (4). De nutteloosheid is voorwaarde voor zijn kunst. De vliegtuigen mogen niet kunnen vliegen, tenzij in de verbeelding. De vormen van de tuigen spelen in op gedroomde mogelijkheden. Het poëtische schuilt precies in de prioriteit van de vorm niet op de inhoud maar op de snelheid van de boodschap. Een sms-bericht is vlugger verzonden dan het schrijven van een liefdesgedicht. Het is ook duidelijker, want misschien wordt het gedicht niet eens begrepen. De poëzie gebruikt geen op efficiëntie gerichte vormen om de boodschap mee te delen. Op dezelfde wijze maakt Panamarenko tuigen die ingaan tegen het op de wetenschap gebaseerde nuttigheidsdenken van de industrie. Zijn poëzie is aldus zeer maatschappij-kritisch. De industriëlen kopen ze graag.

4) J. Thomson, Panamarenko, Ludion Focus, Gent, 2001

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.