Roger Somville (1923- )

Roger Somville verloor al vroeg zijn vader en vond in zijn grootvader, typograaf met anarchistische opvattingen en in zijn oom, lithograaf met marxistische sympathieën, een intellectuele voedingsbodem voor wat zijn blijvend sociaal-politiek engagement zou worden. Zijn socialistische ideeën voedt hij met de lectuur van o.a. Marx. Maar het zijn vooral het theater van Bertolt Brecht en de films van Sergej Eisenstein die hem in deze strijd beïnvloed hebben. In zijn beginwerk vindt men dan ook vaak het thema van de oorlog en de weerstand ertegen, evenals de arbeider en de solidariteit ermee, naast taferelen van het dagelijkse leven.
Zijn maatschappelijke betrokkenheid uit zich ook in zijn liefde voor toegankelijke kunst. Muurschilderingen op plaatsen waar veel volk komt, waaronder de Brusselse Hankar-metro. Technieken die gemakkelijk verspreid kunnen worden: grafische kunst, maar ook keramiek. Hij heeft immers in La Cambre, in het Franstalig Institut national supérieur d’Architecture et des Arts décoratifs, zijn echtgenote gevonden, Simonne Tits, een keramiste, die hem in het vak heeft geïntroduceerd. Somville heeft ook een poging ondernomen om het wandtapijt terug een modern elan te geven. Hij stichtte in 1946 het Centre de Rénovation de la Tapisserie de Tournai, samen met Louis Deltour (1927-1998) en Edmond Dubrunfaut (1920-2007). Deze laatste was ook lid van de Jonge Belgische Schilderkunst en deelde met Somville het politieke engagement en de zin voor het monumentale, m.a.w. kunst waar de massa niet naast kan kijken.

Jean Dypréau heeft dit kordaat geformuleerd: “Het is toch wel paradoxaal te moeten constateren dat de schilder, die de meeste manifesten voor het realisme schreef, onbetwistbaar een expressionist is, wiens gewild provocerende kleuren het vertoog verzwaren. Roger Somville is bij ons de, voor een bewust sociaal en polemisch ingestelde kunst, meest representatieve kunstenaar, de aanklager van schandalen, van onrecht en van misdaden van onze maatschappij.” Somville heeft zijn sociaal engagement inderdaad niet enkel beklemtoond door te opteren voor technieken en ruimten die de deelname van het publiek verhogen. Hij heeft er ook een gepaste theorie voor geschreven die de toeschouwer moest overtuigen dat hij een soort realisme voortbracht.

Niet verlegen zittend om een resem superlatieven kan men uit zijn geschriften onder “realisme” ongeveer het volgende verstaan. Het heeft niets te maken met het zo natuurgetrouw nabootsen van de werkelijkheid. Het is dus geen stijl of school, evenmin een trukje. “Het realisme is een methode en een houding.” Het is een methode om suggestief het reële leven bloot te leggen. Het is een houding tegenover de sociale realiteit. Op een opbouwende kritische manier wil het de menselijke werkelijkheid grijpen en begrijpbaar maken. Dit realisme staat haaks op elke vorm van gratuite esthetiek. Het is het tegendeel van het formalisme, de kunst om de kunst. Somville noemt het een ‘socialistisch’ of een ‘revolutionair realisme’. Inderdaad, een als realisme vermomd expressionisme, een waarvan men de expressieve kracht niet onmiddellijk herkent, maar wel aanvoelt.

Somville heeft niet altijd op de barricades gestaan. Hij heeft ook intiem werk gemaakt. De vrouw is zijn geliefkoosd thema. Of ze nu model heeft gestaan of niet, de typische Somville-kop gelijkt sterk op het hoofd van Simonne, zijn echtgenote, die hem dus niet alleen keramiek heeft bijgebracht, maar ook zijn muze is. Het wordt nog wat complexer wanneer men constateert dat beiden zelfs broer en zus konden zijn. Dit narcisme via de ander komt wel vaker voor bij koppels. In het oeuvre van Somville krijgt het de dubbelzinnigheid van een zelfportret.

Zoals gezegd is Somville een meester in de muurschilderkunst. Een soort synthese van zijn sociaal realistische thema’s vindt men in de Metro Hankar waar hij gepoogd heeft Onze Tijd (Notre Temps) weer te geven. Er is een massa volk te zien. De motorrijders symboliseren op futuristische wijze de maatschappelijke vooruitgang maar eveneens de technologische vervreemding. Er wordt opgeroepen voor een grotere rechtvaardigheid en geprotesteerd tegen de repressie van het volk. De inhuldiging gebeurde in 1976. Het Chili-drama (1973) is dan volop actueel met dictator Pinochet als de sociaal al te reële boeman. Men wist toen nog niet dat de Amerikaanse CIA erachter zat.

Minder sociaalrealistisch is zijn muurschildering Wat is een intellectueel? (Qu’est qu’un intellectuel) op de campus van Louvain-la-Neuve (1987). In dit universitaire midden stelt Somville de vraag naar de maatschappelijke taak van de intellectueel. Een atletische figuur bovenaan verwijst naar de antieke oudheid. Een betoging met vlaggen legt de nadruk op de noodzaak aan het op straat komen van de intellectueel om vrede en sociale rechtvaardigheid op te eisen. De intellectueel heeft voor Somville een rol in de sociale strijd te spelen. Of zoals hij het zelf formuleert: “Een intellectueel – wat ook de maatschappelijke groep is waartoe hij behoort – moet het heden en het verleden kunnen analyseren, moet over een kritische geest beschikken, moet deelnemen aan de veranderingen van de maatschappij. Maar voor het eerst in de geschiedenis heeft de menselijke soort de macht om zichzelf te vernietigen. Van dan af is de waarlijke intellectueel enkel deze van wie de hoofdbezigheden gepaard gaan met het redden van de menselijke soort, d.w.z. de brede en de sociale rechtvaardigheid.” Dit zijn de woorden van de kunstenaar. Het is aan de toeschouwer om na te gaan of hij in deze boodschap geslaagd is via zijn plastisch werk.
Hoe dan ook sluit Somville aan bij de kunstenaar-intellectueel, zoals die pas op het einde van de negentiende eeuw zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid opneemt door op een uitgesproken wijze zijn kritiek te formuleren. In de Franse krant L’Aurore, duikt de term ‘intellectueel’ voor het eerst op, tenminste voor het eerst als omschrijving van een ‘nieuw soort’ mens. In 1898 is het pamflet J’accuse! Emile Zola’s verdediging van de valselijk veroordeelde Dreyfus verschenen.

In Manifestaties van de intellectueel reikt Edward Saïd een aantal kenmerken aan: de intellectueel komt op voor het niet-conforme; voor de dialectische antithese en de negatie; hij is een uitgesproken seculiere denker, hij laat zich niet meeslepen door allerlei vertogen over het nationale, de volksaard en de religie. Tegelijk erkent hij de sporen van het sacrale, als dat wat verder van ons af ligt en waarover we toch moeten kunnen denken. Voor Saïd lijkt de intellectueel bijna een moderne heilige: hij beseft dat de identiteit een constructie is, en niet een gegeven, en dat deze identiteit dus altijd veranderbaar is. Hij komt op voor het universele, ook als hij het regionale ontleedt; hij blijft onafhankelijk van instituties, en de enige trouw die hij kent is die aan zijn principes. Het is Saïd niet te doen om een superieure intellectueel, maar om een oproep tot sociaal en moreel engagement. Somville past volledig in deze lijn.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.