Roger Wittevrongel (1933- )

“Ik ben geen hyperrealist” zegt Roger Wittevrongel nog voor ons gesprek begint. Inderdaad, Wittevrongel is Wittevrongel. Aan die wrong valt niet te tornen. Gelijk heeft hij wanneer hij zijn werk niet wil vereenzelvigen met het Amerikaanse hyperrealisme dat het fotografische van de gefotografeerde realiteit wil evenaren.

Het is natuurlijk wel zo dat de opgang van het Amerikaanse hyperrealisme er voor gezorgd heeft dat Wittevrongel een bijzondere aandacht kreeg voor zijn vorm van realisme. Hij werd van bij de aanvang onder het label “hyperrealisme” geschaard en er is dan ook geen enkele reden om dat zo niet te houden. Wel is het nodig de specificiteit van zijn realisme te onderzoeken.

Roger Wittevrongel schilderde in zijn studententijd abstract. Een variant “tussen Jan Burssens en Pierre Soulage”, zoals hij het zelf noemt. Daarnaast had hij toen ook al een voorliefde voor het realisme. In schoolverband is dat soort oefening mogelijk. In de jaren zestig heeft Wittevrongel een manier ontwikkeld om halffiguratief, halfabstract te tekenen en te schilderen. Hij wordt bekend met zijn dieren die wegens hun fictief karakter eerder aansluiten bij monsterachtige gedaanten. Maar deze vorm van nieuwe figuratie, die de reactie in die tijd tegen de abstracte kunst was, bevredigde hem niet langer. Als een soort zuiveringsritueel ging hij vanaf 1969 terug tekenen naar de werkelijkheid met een voorkeur voor naakten, bouwwerven en zijn atelier.

“Relativerend realisme”, een tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel (1972), overgenomen van het Van Abbemuseum, bevestigt hem in de te volgen weg. Onder “relativerend realisme” verstond de tentoonstellingsmaker, Jean Leering, dat betreffende schilderkunst zingevend in onze bewustwording en in onze beleving van de werkelijkheid optreedt: “Vooral in het relativerend realisme wordt duidelijk dat de uiterlijke realiteit niet als uitgangspunt noch als punt van controle genomen wordt. Eerder wordt de werkelijkheid, zo te zeggen in deze schilderkunst tussen haakjes gezet. Dit betekent dat realiteit als iets relatiefs ervaren wordt en wel als betrokken op ons bewustzijn, dat derhalve zijn eigen inbreng in het proces van verwerke­lijking van de werkelijkheid heeft”.(5) De naam “relativerend realisme” werd niet weerhouden, maar Wittevrongel had hier wel zijn soortgenoten gevonden: kunstenaars die een stukje realiteit zo doortastend gingen weergeven dat er van een magie van het reële sprake kan zijn, eerder dan van het terre à terre-karakter ervan, zoals de pop-art gedaan had.

Behalve het feit van varianten te zijn van een nieuw – dus avantgardistisch correct – realisme, vertoonden de deelnemers aan “relativerend realisme”, weinig verwantschap met het werk van Wittevrongel. De enige uitzondering hierop is misschien John Kacere. Al was het maar omdat hij ook lekkere stukken vrouwenlichaam schilderde en een voorliefde had voor het lichtspel in plooiend zeil.

Meer lezen over dit onderwerp

Comments are closed.