Naar aanleiding van het niet krijgen van de prijs van de “Jeune sculpture” in 1970, betreurt de kunstcriticus Marc Callewaert dat het jammer is dat de jury de gelegenheid heeft laten voorbijgaan om de enige beoefenaar van een werkelijk intelligente conceptuele kunst, Roland Van den Berghe, te onderscheiden. Zijn vogelvrije functie bezit naast een sterke plastische aanwezigheid de kracht van een uitdagend idee. De meeste andere inzendingen maken, hierbij vergeleken, een frivole of een alleen maar fraaie indruk”. (3) De auteur vindt ook een verklaring: “Maar ja, het is een werk waar je eigenlijk niet zo goed raad mee weet in een salon. Méér dan een sculptuur is het eigenlijk een toestand.”
Dit verwoordt zeer goed de evolutie die Roland Van den Berghe doorlopen heeft. Zeer goed opgeleid aan de Gentse Academie (1958-1965), waarvan hij de open geest nog looft, wordt zijn twijfel aan dit soort opleidingen gevoed door een toevallige ontmoeting met Marcel Broodthaers. Dat kunst niet per se het tonen van het “kunnen” moet zijn, is een idee die zich voor hem als het ware geopenbaard heeft door het zien van het werk en de poëzie van Broodthaers, uiteraard aangevuld met boeiende gesprekken. Het wordt een vriendschap gestoeld op geestelijke verwantschap. Hoewel ze samen initiatieven nemen, ontwikkelt Van den Berghe zich toch niet in de lijn van het poëtische neodadaïsme van Broodthaers. Hij vindt eerder zijn weg in een intellectuele versie van de conceptuele kunst en de eraan verbonden maatschappijkritische dimensie. Eén zaak is zeker, hij breekt met de fraaie kunst. Het retinale plezier is uit den boze. Daarin volgen ze beiden de lijn van Duchamp.
Een van de eerste activiteiten die ze samen in 1967 op het getouw zetten met nog een aantal andere kunstenaars is “Reportage”. Het was een rondreizende tentoonstelling in verschillende Belgische universiteiten. Het was een typisch experiment voor die tijd. Niet het kunstwerk als voltooid object dat moet bewaard worden, stond voorop, maar de act. Broodthaers die de catalogustekst schreef, formuleerde het als volgt: “Wat de deelnemers met elkaar verbindt, is de behoefte aan communicatie. Een geldige reden zo ze er een is. Wat deze groepering onderscheidt van vele anderen is de wijze waarop ze tot stand gekomen is, nl. zonder de medewerking van om het even welke officiele instantie. Van overheidswege werd dus niet het minste advies gevraagd of gegeven nopens de opportuniteit van deze manifestatie.”(4) Een echt kunstenaarsprotest dat goed past binnen het universitaire leven in die periode.