Taalfilosofie

In de conceptuele kunst staat het idee voorop. De materiële realisatie ervan is bijzaak, zo niet overbodig. Het idee is zelf “materiaal” geworden. Vaak zijn het ideeën over de maatschappij met een kritische inslag. De kunst is een product van de maatschappij. De kunstwereld gaat daardoor zelf deel uitmaken van het maatschappelijk gebeuren onder de vorm van een instelling. De conceptuele kunst geeft dus zelf kritiek op het “instituut” kunst. De kunst wordt als het ware een kunstcriticus die de maatschappij ondervraagt. Men zou dit de “sociologische richting” in de conceptuele kunst kunnen noemen. Daarnaast is er ook een aan de filosofie verwante vorm van conceptuele kunst. De kunstenaar wordt aldus beeldend filosoof. Toch is hij geen filosoof. In de filosofie wordt de rationaliteit nooit verworpen, m.a.w. het denkproces moet op iets gebaseerd zijn en verlopen volgens een bepaalde logica. Wanneer de beeldende kunst zich begeeft op het terrein van de filosofie dan wil ze precies dat soort logica’s ondermijnen of op zijn minst in vraag stellen.

Naast deze kritische houding zijn er nog twee andere relaties tussen filosofie en kunst gangbaar. Hoewel vermoedelijk geen enkele kunstenaar deze term zal aanvaarden, kan de conceptuele kunst ook “illustratie” zijn van filosofische gedachten. Het Latijnse “illustrare” betekent “aanschouwelijk maken” en van een dergelijke aanschouwelijke bijklank willen de artiesten niet weten. Maar het betekent ook “in een schitterend daglicht stellen, doen uitkomen” en dat is toch een mooie verhouding tussen de twee domeinen. De kunst maakt de filosofie zichtbaar.

Tenslotte kan de kunst nog iets wat de filosofie niet mag. Ze durft het gebied van het rationele denken verlaten en gissingen suggereren van de wereld over die grens. In die zin is er een verwantschap tussen de conceptuele kunst en het mystieke, d.w.z. het verlangen om het ongekende te vatten. Het beeld schijnt in deze aangelegenheid over een groter vermogen te beschikken dan het woord. De mystieke ervaring heeft iets onuitsprekelijks, ze overtreft de menselijke verwoordingskracht. Voor de filosoof, Ludwig Wittgenstein, behoren alle uitspraken die niet aan de logica beantwoorden, tot het mystieke. Men kan er, volgens hem, dan ook beter over zwijgen. Maar hij gelooft wel in de mogelijkheid van de kunst om het onuitsprekelijke toonbaar te maken.

Taalfilosofie

De conceptuele kunst flirt graag met het denken van Wittgenstein. Hij behoort tot een stroming die men de “taalanalytische” wijsbegeerte noemt. Zoals de naam het zelf zegt, analyseren zij de taal. Ze gaan ervan uit dat er gedurende de tweeduizendvijfhonderd jaar Westerse filosofie veel te weinig omzichtig met het taalgebruik werd omgesprongen. Vooral het woord “zijn” moet het ontgelden. “Zijn” wordt immers op twee verschillende manieren gebruikt. Het doet niet alleen dienst om een kenmerk aan te duiden, maar tevens om het wezenskenmerk aan te geven van iets. Tussen beide wijzen van aanwenden gebeuren vaak verschuivingen. Wat slechts een kenmerk is van iets, wordt vlug bekeken als de essentie. Alle zelfstandige naamwoorden die eindigen op “-heid” zijn in dat zelfde bedje ziek. Deze denkwijze om kenmerken te laten overvloeien in essenties heeft de filosofie al van bij Plato beheerst. Uit die tijd stammen overigens ook de eerste kritieken. Zo Antisthenes, leerling van Socrates, die stelde dat hij een paard kon zien, maar de “paardheid” niet. De taalanalytische filosofen hebben van het gebruik van het woord “zijn” een belangrijk thema gemaakt. De conceptuele kunstenaars hebben daarop ingespeeld.

Een van de toonaangevende figuren van de conceptuele kunst in de tweede helft van de jaren zestig, de Amerikaan, Joseph Kosuth is hiervan een schoolvoorbeeld. Conceptuele kunst is voor hem de kunst die de fundamenten zelf van het begrip “kunst” steeds weer in vraag stelt. Zeer bekend is zijn werk “One and Three Chairs” (1965). Tegen de wand staat een echte stoel, een readymade à la Duchamp dus. Links hangt een foto met daarop dezelfde stoel, op hetzelfde formaat afgedrukt als de echte. Rechts prijkt een sterk uitvergrote definitie van het woord “chair”, zo uit het woordenboek geplukt. “Ceci n’est pas une pipe” van Magritte is niet veraf. Hier wordt inderdaad gespeeld met het woord “zijn”. Drie keer kan het woord “zijn” hier op een totaal andere manier gebruikt worden. Het lijkt hetzelfde maar de ene keer is het de werkelijkheid, de andere keer een afbeelding ervan en tenslotte de definitie. De stap naar de mystiek is gauw gezet. Men kan het werk immers zien als een triptiek, die verwijst naar de Heilige Drievuldigheid. Een stoel is geen kruis, maar hier kan hij wel staan voor Christus als op aarde gekomen God. De maker van de definitie is uiteraard God de Vader. En de verwantschap tussen de Heilige Geest en de fotografie als het letterlijk “schrijven met licht” is vlug gelegd.

Deze interpretatie neem ik echter volledig voor mijn rekening. Wat niet wegneemt dat de conceptuele kunstenaars zelf zich bewust zijn van deze mystieke dimensie van de kunst. Een ander boegbeeld ervan, Sol LeWitt (1928), is hierin zeer duidelijk. De eerste van een reeks uitspraken over kunst luidt: “conceptuele kunstenaars zijn eerder mystici dan rationalisten. Zij komen tot conclusies die buiten het bereik van de logica liggen.”(1) Deze gedachte stond oorspronkelijk (1969) in een tijdschrift van een groep conceptuele kunstenaars, “Art & Language”, waartoe ook Kosuth behoorde. De naam zelf spreekt duidelijke taal.

Gemeenschappelijke kenmerken

De visies van Kosuth en LeWitt zijn maar vormen om aan conceptuele kunst te doen. Elke kunstenaar geeft er zo zijn eigen invulling van, doorgaans verbonden aan zijn eigen werk. Indelingen maken is niet gemakkelijk. Toch mag men wat hier volgt als gemeenschappelijke kenmerken beschouwen.(2) De conceptuele kunst hecht belang aan ideeën en betekenissen en dus minder aan de vormen en de materialen. Er is zelfs een streven om immaterieel te zijn, d.w.z. dat het kunstwerk zo onstoffelijk mogellijk moet zijn. Een minimum, reeds een briefje met wat uitleg omtrent waar het over gaat, volstaat. Het belangrijkste is immers niet het kunstwerk als een ding, maar de processen in de hoofden van de kunstenaar en de toeschouwer. De conceptuele kunst stelt het traditionele kunstwerk, als een uniek verhandelbaar verzamelobject, in vraag.

Deze kritiek op het commerciële karakter van de kunst, heeft niet belet dat sommige conceptuele kunstwerken tot de duurste behoren van de hedendaagse kunsthandel. Precies de afwijking van de traditionele vorm maakt het aantrekkelijk. Het baadt ook in een sfeer van intellectualisme. Vele werken zijn moeilijk begrijpbaar omdat ze niet via traditionele uitdrukkingswijzen tot stand komen. Van een echte stijl kan moeilijk sprake zijn. De conceptuele kunstenaars maken gebruik van verschillende middelen: dagelijkse voorwerpen, foto’s, video’s en, zoals gezegd, vooral de taal.

1) S. LeWitt, “Uitspraken over kunst”, in A. De Visser, De tweede helft gedocumenteerd, SUN, Amsterdam, 2002, p. 239.
2) Zie ook: T. Godfrey, L’art conceptuel, Phaidon, Paris, 2003. En: P. Osborne, Conceptual Art, Phaidon, London, 2002.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.