Werner Mannaers (1954- )

De bovenstaande wat complexe internationale situering is de goede weg om bij het oeuvre van Werner Mannaers te belanden. Als postmoderne schilder omvat hij al die verschillende aspecten van de kunst van zijn voorgangers. Hij brengt die verschillende invloeden samen, speelt ermee, speelt ze zelfs tegen elkaar uit. Hij vertolkt zijn versie ervan, ernstig of ironiserend, als citaat of als persiflage. Daarenboven vult hij de beeldtaal van de moderne kunst aan met fragmenten uit de ruimere beeldcultuur: stripverhalen, kindertekeningen, Indiaanse miniaturen, pornoprenten, publiciteitsmateriaal, de Oude Meesters, bloemeninventarissen en decoratieve ornamenten. Dit alles doorspekt met uitspraken geschreven in het handschrift van de slechtste leerling van de klas.

In het werk van Werner Mannaers vind je dus sporen van de conceptuele kunst. Wat meer is, het is een vorm van conceptuele schilderkunst. De ideeën worden niet op notablok papiertjes schetsmatig verwoord, maar ze worden geschilderd, op doek of vaak in tekenfardes, die hij koestert als heuse dagboeken. Soms is de conceptuele kunst zelf onderwerp van zijn werk. Op een schilderij zie je bijvoorbeeld een rode stripfiguur met bonzend hart. Wanneer je goed toekijkt zie je in grijze schaduwtonen het portret van Kosuth, een hoofdrolspeler in de conceptuele kunst. Tegenover het doorgedreven intellectualisme van de kunst plaatst hij het gevoelsmatige van het dagelijkse leven. In een ander werk staat een razende Donald Duck. Het opschrift luidt “cogito ergo sum”. De “ik denk dus ik ben” constatering van Descartes, luidde een periode in van rationalistische filosofie, die echter toch de concentratiekampen niet verhinderd heeft. Bij nader toezien treft men een hakenkruis aan op de pet van Donald Duck. Het gebruik van stripfiguren is dan weer een verwijzing naar de pop-art. Maar deze niet verplichte schatplichtigheid aan twee stromingen uit de modernistische kunst belet niet dat Mannaers ook stoeit met hun gemeenschappelijke vijand: de in de jaren zestig te esthetisch geworden abstracte kunst. Inderdaad is een groot deel van zijn oeuvre gewoon abstract. Hij draagt er zorg voor niet in het straatje-zonder-einde van de te schone kunst te versukkelen en maakt van de abstracte kunst terug een avontuur, afgewisseld met zijn dagboekverhalen over het wel en wee van het leven zelf.

Werner Mannaers is zeker geen ‘schone schilder’ : zijn doek of papier zit vol vuile vegen; vele stukken lijken onaf, slechts een aanzet. Hoewel in deze tijd kunst weer mooi mag zijn, blijft Mannaers begaan met zijn hoofdbekommernis: de betekenis-productie en -destructie van het beeld in de cultuur. Waar men bovendien de zelfrelativering in de marge noteerde (overigens een van oudsher geschikte plaats om glossen in aan te brengen), is nu de marge zelf aan de orde. Mannaers geeft beeldend commentaar op een thema. Het is een kenmerk van zijn werk om relaties tussen de dingen te leggen door ze te weerleggen en om het ding te duiden door het on-ding te tonen. Hij probeert binnen één beeldveld de combinatie van twee uitersten, die elkaar raken in hun oppervlakkigheid, zo ver mogelijk door te trekken. Als postmodernist constateert hij de instorting van algemeen geldende waarden op ethisch en politiek gebied. Hij stelt de grote hypocrisie van het politieke bestel vast: corruptie van de overheid en oorlogsverschrikkingen die dagelijks vanuit de knusse fauteuil op de televisie te volgen zijn. “Decoratie” betekent zowel “een teken van maatschappelijke deugdelijkheid” als “versiersel”. Elk handelen wordt gebanaliseerd en tot oppervlakkige decoratie herleid.

Mannaers stelt zich de vraag wat de verantwoordelijkheid van de schilder bij dit alles moet zijn. Hij zoekt een antwoord door strijdige beelden met elkaar te confronteren. Hiermee tracht hij het systeem te ontvluchten. Het banale stelt hij als uniek voor, als een fetisj waarrond het dagelijkse ritme draait. Het unieke doorspekt hij met desacraliserende tekens. De kunst van Werner Mannaers is zeer autobiografisch: hoe abstract ook, bij wijlen. Zijn hand is een plotter van zijn gemoed. Vandaar precies: “hoe abstract ook”. Bij Werner Mannaers zijn dat echter niet de anekdoten van alle dag, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij Fred Bervoets. Hij geeft de neerslag van zijn geestelijke avonturen rond de grote thema’s van het leven: angst, hoop, woede, hypocrisie en zinsgevingsvragen: vader, waarom leven wij?

Mannaers is soms een oude existentialist. Deze filosofische stroming heeft een grote rol toebedacht aan het dagboek, de plek waar men de existentie tot essentie verwoordt. Zoals hogerop al gezegd, maakt hij tekendagboeken. Het dagboek is een dubbelzinnige tekst. Het beweert de meest intieme verhalen over de auteur te bevatten. Het is geen monoloog, maar een dialoog met zichzelf. Eigenlijk is het meer een toetssteen. Vermits het “zelf” geen zijn is, maar een worden dat ook voortdurend verwordt, ontstaat het precies via het dagboek. Het dagboek bewaart de varianten van ons eigen zelf. Sommige worden gerealiseerd, andere blijven in het zou-kunnen-stadium. De dubbelzinnigheid van het dagboekverhaal is gelegen in het feit dat hoewel het gemaakt wordt zonder de druk van de aanwezige blik van een andere, het toch beïnvloed wordt door de afwezige blik. Elk dagboek zegt niet in de eerste plaats hoe de auteur is, maar hoe hij wil gezien worden. Elk dagboek, zeker wanneer het literair, of zoals hier beeldsprakerig wordt, is fictie, d.w.z. de voorstelling van een oneindige reeks mogelijke zelven. Zijn dagboektekeningen (2) blaast hij op tot grote kleurfotokopieën. Via dit grafische medium sluit hij aan bij de democratische verspreidingsweg van de kunst waaraan ook Polke heeft deelgenomen(3). Aldus worden ze publiek en verdwijnt hun privé-karakter. Ze worden opgenomen in het arsenaal van de beeldcultuur.

Ik heb hogerop Mannaers een existentialistische thematiek in de schoenen geschoven. Hij maakt echter geen existentialistische kunst. Het expressionisme is de kunst van het existentialisme. “De Schreeuw”, het zo direct mogelijk tonen van de opengebroken ziel, is er een goed voorbeeld van. Werner Mannaers werkt anders. Hij glipt binnen en weer buiten de thematiek. Zijn werken zijn als doolhoven geconcipieerd. Het zijn rebusbrieven. Als vervolgverhaal wordt het een serie, waarbinnen de verbanden wankel blijven. Met telkens een constante: Mannaers steekt de ogen uit. Hij slaat je niet plat met essenties (cf. De Schreeuw), maar maakt doornen voor het oog door de wijze waarop hij de oude principes van het Schone tart op zoek naar nieuwe, liefst zonder principes. In die zin moet men zijn werk bekijken als stoorzender. Het venijn zit in de staart.

2) W. Elias, Werner Mannaers, Tekeningen uit een dagboek, Cultureel Centrum Hasselt, 2002
3) J. Berger & C. Von der Osten, Sigmar Polke, The Editioned Works 1963-2000, Ostfildern-Ruit, 2000.


© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.