Marcel Broodthaers (1924-1976)

Maria Gilissen, die het werk van haar echtgenoot koestert en behartigt bij wijze van levenswerk, zal het vermoedelijk niet leuk vinden dat ik Marcel Broodthaers reken tot het neodadaïsme. Ze is ervan overtuigd dat het werk uniek is en daarin heeft ze ook gelijk. Maar zowel het dadaïsme als het neodadaïsme beschouw ik als een naam voor een groep kunstenaars die precies niet tot een bepaalde heersende stijl wilden behoren. Het “shockerende” aan hun werk is precies de wijze waarop ze ontsnappen aan de heersende kunstvormen en niet zozeer de inhoud. Men is niet verontwaardigd wanneer men een urinoir ziet of een mosselpot, men schrikt wanneer een kunstenaar met niet artistieke elementen een artistiek systeem opbouwt. Dat heeft Broodthaers op een unieke manier gedaan. “C’est un tout”(4), zegt ze, beseffend dat het Franse woord hier krachtiger is: hij was een dichter, die tevens journalist en kunstcriticus was, en fotograaf, en beeldend kunstenaar, en filmmaker, en organisator van happenings, en bouwer van installaties, en iemand die kunst en leven dichter bij elkaar wou brengen, kortom, een geheel dus.

Het begon laat (1963), maar onmiddellijk goed. De tekst van zijn eerste tentoonstelling (1964) verhaalt zijn start als beeldend kunstenaar. De armoezaaiende dichter vraagt zich af of hij, zoals de beeldende kunstenaars ook niet iets zou kunnen verkopen. Met dit doel wou hij “quelque chose d’insincère” uitvinden en hij legde zich neer bij het percentage van de galerist . Hier zit al de sleutel tot het werk van Broodthaers: de ironie, uitgebreid tot de zelfironie en de kritiek op de commercialiteit van de kunstwereld. Uiteraard wou hij niets “oneerlijks” uitvinden, daarvoor was hij te veel dichter in hart en ziel. Wel wou hij kritiek geven op de “eerlijke” kunst die goed verkoopt, met name de pop-art.

In 1962 was Broodthaers zelf al tot kunstwerk verklaard door de Italiaanse neodadaïst Piero Manzoni die zijn handtekening op Broodthaers had gezet, aangevuld met een certificaat van authenticiteit. Manzoni is de man zo niet van de “ernstige” kunst. Denk maar aan zijn “Merda d’artista”, genummerde en gesigneerde blikjes met de stoelgangcreatie van de kunstenaar, te koop aan de dagprijs van het goud. Ook Broodthaers is zeer begaan met het fenomeen van de waarde van de handtekening. Zijn “M.B.” paraaf komt vaak voor in zijn werk, o.a. als optelbaar en omzetbaar in baar geld.

Broodthaers bekendste werken zijn de mosselpotten. Het Frans laat een woordspeling toe tussen “la moule, de mossel” en “le moule, de mal”. Maar er zit ook een symboliek aan verbonden. De mossel maakt haar schelp zelf en kan zo als een authentiek perfecte vorm worden bekeken. In tegenstelling tot humanistische filosofen die de mogelijkheid tot zelfbepaling enkel aan de mens toeschrijven, kan de mossel dat dus zelfs beter. Er is uiteraard ook een connotatie aan verbonden. Wie “België” zegt, denkt aan “mosselen, friet”, het is een deel van onze identiteit. Dit laatste gegeven duikt overigens ook geregeld op in zijn werk via de tricolore kleuren.

Men kan als kunstliefhebber ’s ochtends moeilijk een eitje slurpen, zonder aan Marcel Broodthaers te denken. Naast het zwart van de mosselen vormen de perfect gevormde schelpen van de witte eieren een mooi plastisch contrast. Maar er is ook een symboliek aan verbonden. Het ei is de oorsprong van alles, tenzij de kip er eerst was. Er is uiteraard ook een connotatie aan verbonden. Ei is het bindmiddel voor tempera, de verf die gebruikt werd vóór de olieverf. Het ei verwijst dus naar de schilderkunst. Maar de schelpen zijn leeg…

Vanaf 1968 vangt een nieuwe periode aan in het oeuvre van Broodthaers die twee andere perioden scheidt. Ervoor zijn er de experimenten en na 1972 begint het succes, wat hem in de mogelijkheid stelt om de middelen te verwerven om zijn ideeën beter te realiseren. Tussenin is hij begaan met zijn “Musée d’Art Moderne, Département des Aigles”. Ondertussen is men het er in de kunstfilosofie over eens geraakt dat het definiëren van kunst niet kan gebeuren op basis van de eigenschappen die een voorwerp heeft. Een kunstwerk is een artefact dat gemaakt is om voorgesteld te worden aan een publiek uit de kunstwereld.

Het is dit wat Broodthaers ook verkondigt, maar tegelijk bekritiseert. Via zijn eigen museum hekelt hij de machtsstructuren van de museumwereld. Dat kunst iets is wat in een museum staat, betekent ook dat dat wat men in een museum plaatst kunst is en dat is manipuleerbaar.

In diezelfde periode start hij ook met een nieuw medium: de vacuüm gemaakte plastieken reliëfplaten, zoals de platen met straatnamen. Het was een manier om zijn gedichten industrieel te verspreiden, weliswaar op een oplage niet hoger dan bij het gieten van bronzen sculpturen toegelaten is om uniek genoemd te kunnen worden. Voor Broodthaers zijn het rebussen die men moet lezen, en die moeilijk zijn in tegenstelling tot de tekens die doorgaans zeer herkenbaar zijn, wanneer ze in dat materiaal verspreid worden.

Men kan ten slotte niet genoeg de nadruk leggen op het belang dat de fotografie in het oeuvre, in “le tout”, van Broodthaers gespeeld heeft. Zijn dochter, Marie Puck, heeft me erop gewezen naar aanleiding van de rondreizende tentoonstelling van zijn foto’s. Eens men er oog voor krijgt, ziet men dat hij niet alleen een goed fotograaf was, maar dat de fotografie in zijn gehele oeuvre naar de toeschouwer kijkt.(5)

We hebben Broodthaers onder de noemer “neodadaïst” geplaatst. We hadden hem ook als “conceptuele” kunstenaar kunnen beschouwen, maar daarvoor is hij in mijn ogen te poëtisch. Er is ook het conflict en de verwantschap tegelijk met de pop-art en de Franse versie, het “Nouveau Réalisme”. Vooral ook in zijn liefde voor de volksprent. Er is uiteraard, naast Duchamp, ook nog Magritte.  De anekdote bestaat dat de jongste Belgische surrealist, Marcel Mariën, het werk van Broodthaers simpelweg als surrealisme bestempelde, waarop deze siste: “Vertel het aan niemand.”

Marcel Broodthaers stierf ook als een dadaïst: op 52 jaar, op zijn verjaardag. Het overbrengen van zijn stoffelijk overschot uit Keulen verliep volgens Freddy De Vree in dezelfde geest. Aan zijn kist hing een etiket met de vermelding: “Broodthaers. Ohne religion. Nach Brussel.”

4) Gesprek met Maria Gilissen, Brussel, 04-08-2003.
5) Gesprek met Marie Puck Broodthaers, Brussel, 04-08-2003. M. Gilissen & S. Lange, Marcel Broodthaers, Texte et photos, Brussel/Köln, 2003.M.J. Borja-Villel, M. Compton & M. Gilissen, Marcel Broodthaers, Cinéma, Barcelona, 1997.
6) F. De Vree, Marcel Broodthaers, Oeuvres 1963-1975, Brussel, 1990.


© 2010 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.