Jane Graverol (1905-1984)

“Het valt op dat de loopbaan en de ontwikkeling van veel vrouwen in deze tentoonstelling met vallen en opstaan is verlopen. Men zou kunnen beweren dat Marie Howet en Anne Bonnet de enigen zijn, die een stabiele of harmonieuze evolutie doormaakten. Even evident is het hoe weinig vrouwen een duurzaam artistiek engagement aangingen: Jane Graverol kan zowat de meest geëngageerde worden genoemd. In 1952 stichtte zij samen met André Blavier het militante tijdschrift Temps mêlés en organiseerde zij in Verviers in de gelijknamige kelder tentoonstellingen, concerten en voordrachten. Van 1954 tot 1960 was zij een trouwe medewerkster van het tijdschrift Lèvres nues. De meeste vrouwen werden lid van een club, maar bleven bescheiden op de achtergrond. Soms waren ze wel een tijdlang actief in vooruitstrevende groepen, zonder evenwel de leiding ervan te nemen. Zo heeft Marthe Donas zich omstreeks 1920 kort maar vurig ingezet voor de tentoonstelling van de Section d’Or, maar ook zij verloor algauw de moed. Vrouwelijke kunstenaars zijn deelnemers, geen koplopers.”

Aan het woord is Leen de Jong, een van de organisatoren van “Elck zijn waerom, vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950”. ‘De meest geëngageerde’, dit is een mooi eerbetoon aan Jane Graverol, dochter van Alexandre, een autoritaire vader, een wat mislukte Franse schilder met symbolistische stijl. Hij had de beste bedoelingen met zijn dochter maar deze werkten eerder versmachtend voor de ontluikende Jane. Van haar vader geraakte ze pas echt bevrijd (na zijn dood in 1947) via het surrealisme waarin ze begin de jaren vijftig een rol ging spelen. Voordien werkte ze ook symbolistisch. Ze had Magritte in 1949 ontmoet en aangenaam verrast over haar werk introduceerde hij haar in het milieu van de surrealisten. Critici vinden overigens dat haar werk teveel aansluit bij dat van Magritte. Maar haar werk is passioneler, niet onderkoeld zoals bij Magritte. Door in die kringen te vertoeven leerde ze ook Marcel Mariën kennen met wie ze van 1953 tot 1958 samenwoonde.

Behalve wat levensgeluk, werd dit een nieuwe bron van inspiratie, o.a. zichtbaar in haar collages. De ontmoeting in 1967 van een nieuwe levensgezel, Gaston Ferdière, een Frans psychiater met grote interesse voor het surrealisme, maakt dat ze tot aan het einde van haar leven in Parijs verbleef. Jane Graverol is niet van vandaag op morgen surrealist geworden. Haar ontwikkeling liep in die richting. Het surrealisme was vermoedelijk een bevestiging van haar eigen gevoels- en gedachtewereld. Zoals men in een boek graag leest wat men zelf al gedacht heeft zonder het zo al verwoord te hebben. Haar eerste werk is symbolistisch. Behalve haar vader behoorden ook haar twee leermeesters aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel tot deze stijlrichting, nl. Constant Montbald en Jean Delville. Symbolisme is de naam van de kunststroming, met als bloeiperiode 1886-1900, die eerder de gemoedstoestand en de gevoelswereld wou uitdrukken dan de feitelijke wereld. Deze laatste was al goed in beeld gebracht door het realisme (Courbet). Ook het impressionisme was uiteindelijk met de buitenwereld begaan. Het symbolisme wou droomwerelden creëren. Objecten zijn niet zomaar objecten (realisme) al dan niet met een bepaalde lichtinval geactualiseerd (impressionisme). Ze verkrijgen een symbolische betekenis binnen een innerlijke wereld.

Het is duidelijk dat het symbolisme tot de stamboom van het surrealisme behoort. Als men weet dat ook James Ensor tot het symbolisme gerekend wordt, dan is dit slechts een bevestiging van de lijn die naar het surrealisme loopt. Het symbolisme bleef echter de kunststroming van haar vader. Uit verzet begon ze begin de jaren veertig de picturale kracht elders te zoeken. Zo kwam ze tot een meer introspectieve schilderkunst door o.a. te breken met de regels van het perspectief. Of in het werk Premières Métaphores (1938), waarin de cellist, haar tweede echtgenoot, een vlammenzee op de plaats van zijn hoofd krijgt, wat al een surrealistisch beeld is. Het kader is een zuilengalerij die aan het werk van Giorgio de Chirico doet denken. In een interview zei ze: “De Chirico, die begreep ik direct.” Die vervreemdende ruimtelijke sfeer, de eenzame aanwezigheid van de leegte, vinden we geregeld terug in het werk van Graverol. In die omgeving toont zij ook de vertwijfeling van een liefhebbende vrouw opgezadeld met een overspelige man, evenals deze van de vrouwelijke kunstenaar in een mannelijke kunstwereld. En dit al in een aan het surrealisme verwante beeldtaal. Zomerochtend uit 1943 toont een statische mannentors die schijnt te leven en een levendig zomerkleedje dat door een kapstok gedragen wordt en niet door een vrouw. In deze periode wordt de gevoelssfeer beheerst door melancholie en nostalgie van mysterieuze composities en poëtische intieme beelden. Dit alles in wat men al eens een vrouwelijke invulling ervan durft te noemen.

Ook erotiek is in haar werk aanwezig. Niet onder de vorm van prikkelende prenten, maar als reflectie op het eigen lichaam en de spanning in relatie tot andere lichamen. En dit zoals men dat ook in de surrealistische literatuur kan vinden, bijvoorbeeld bij Bataille of bij de voorlopers ervan: de Sade en Lautréamont. Het surrealisme liet Graverol toe te vluchten in andere werelden. Ze construeerde die bewust. Van het automatisme waarmee het onbewuste beelden creëert, volgens Breton, moest Graverol niets weten. Zij toont ons een wereld – de hare – waarin de man-vrouwverhouding geproblematiseerd wordt. De dwang van buitenaf wordt geconfronteerd met de innerlijke niet steeds aanvaarde verlangens. In haar werken van midden de jaren zestig vloeit het surrealisme overigens langzaam samen met de popart.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.