Marianne Berenhaut (1934- )

Marianne Berenhaut heeft al in de jaren zestig die sfeer van wat Freud de ‘Unheimlichkeit’ genoemd heeft in haar werk tot uitdrukking gebracht. Dit woord wordt doorgaans niet vertaald in het Nederlands omdat dan de etymologische diepte verloren gaat van ‘weg van huis’. ‘Ontheemd’ komt in de buurt, maar heeft dan weer die betekenis niet van: akelig, eng, griezelig, luguber, onheilspellend’. Voor Freud treedt dat ongemakkelijke gevoel van angst op wanneer iemand iets dat via de fantasie vertrouwd is, in het echt tegenkomt, bijvoorbeeld: een dubbelganger, het déjà vu of realiseringen van het verdrongene. Het gaat vaak over de relatie met de dood.
Via poppen, kledingstukken, oude meubels en speelgoed, die allen ongetwijfeld hun tijd op een mansardekamer doorgebracht hebben, maakt ze installaties die een dergelijke, ongemakkelijke sfeer oproepen. Haar trauma, om in de taal van Freud te blijven, is dat haar ouders en haar oudste broer in 1942 naar Auschwitz-Birkenau weggevoerd zijn, en dat het zoals voor zovelen een enkele rit was. Als kind en zus is zij met die afwezigheid achtergebleven, samen met een schuldgevoel. Dit bracht haar o.a. tot een werk met een kinderkoets op een ladder, die het beeld van een treinspoor oproept. Maar de ladder wordt onderaan wijder, zodat de koets ontspoort.

Adorno heeft tijdens zijn leven zelf ingezien dat zijn gevleugelde woorden, nl. dat er na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk was, geen steek hielden. Wanneer men het oeuvre van Marianne Berenhaut ziet, beseft men hoe de kunst precies een uitweg is voor dergelijke traumatische ervaringen. Een uitweg en een protest.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.