Neo-geo of de vierde generatie geometrische abstracten

Hetzelfde doen in een andere tijd is iets anders doen. Van de derde generatie van de geometrische abstractie zijn nog steeds kunstenaars aan het werk. Zelfs als ze nog schilderen zoals in de jaren zestig, dan heeft dat toch een andere betekenis gekregen. Sommigen zijn ook echt anders gaan werken. Men zou dit de vierde generatie geometrische abstractie kunnen noemen die vandaag ook door zeer jonge artiesten beoefend wordt.

Een Guy Vandenbranden is de harde lijn blijven volgen, samen met vele anderen. Dat siert hen. Anderen zijn dan weer eigen wegen gaan zoeken. Trouw aan zowel de geometrie als aan de abstractie, maar minder principieel, minder volgzaam aan externe regels, hebben ze varianten ontwikkeld. De transparanties en vervagingen van Swimberghe zou men hiertoe kunnen rekenen. Dat geldt ook voor de recente bezigheden van Jan Van Den Abbeel. Op een bepaald ogenblik heeft hij zich vooral door het driehoekje van zijn vrouw laten inspireren. De liefde voor de geometrie is gebleven, maar heeft zachtere vormen aangenomen. Van die terugkeer naar het leven is ook Guy Leclercq een goed voorbeeld. Zijn thematiek valt samen te vatten in deze die naast de religie wel de grootste inspiratiebron voor kunstenaars is geweest, nl. de liefde tussen mensen en al de hatelijkheden die daar komen bij kijken: spanningen, misverstanden, verleiding, verstrengeling, rug toekeren, passie, verlangen, jaloersheid, afwijzing, overvolheid, mateloze leegte. Een bekende thematiek dus. Het leven zelf. De uitspraak ‘naast de religie’ is allicht zelfs verkeerd, want wat is religie anders dan diezelfde thematiek op een abstract onlichamelijk niveau.

Bij Guy Leclercq gaat het wel over de lichamelijkheid. Hij verschilt hierin sterk met de mystieke kunstenaars voor wie de abstractie een wijze was om het Ene uit te beelden. Denk maar aan Dan Van Severen. In de geschiedenis van de geometrische abstracte kunst heb je twee attitudes. De zuivere formalisten enerzijds, die zoals ‘l’art pour l’art’ de vorm voor de vorm beoefenen, en anderzijds de absolutisten, die van deze inhoudelijke leemte gebruik maken om er een mystieke invulling aan te geven. De vierde generatie overstijgt deze ambiguïteit tussen inhoud en vorm. Ze geeft de lege vorm geen kans om zich te laten vullen met het onuitbeeldbare, het numineuze.

De vertegenwoordigers van de vierde generatie geometrische abstracten hebben niet wakker gelegen van de kunsttheorie van Seuphor. Pioniers zijn ze per definitie niet. Ze moesten zich na WO II ook niet bevrijden van een terug academisch geworden Vlaams expressionisme. Evenmin moesten ze de rationaliteit hoog in het vaandel houden, uit vrees dat de informele kunst in de gekleurde modderpoel van de duistere emoties zou verzinken, zoals de geometrische abstractie in de jaren zestig deed arm in arm met de conceptuelen. Ze hoefden zich niet te bevrijden. Ze zijn vrij. Geometrische abstractie is een van de vele mogelijkheden om zich uit te drukken. Rechtlijnige strengheid is hier uit den boze. Sommigen onder hen zullen zich zelfs verzetten tegen de valse sérieux van deze drie generaties voorlopers.

De generatie die zich vanaf de jaren tachtig van de geometrische abstractie heeft bediend als een van de vele mogelijkheden die de avant-garde bood, breekt met die flirt met de wiskunde. Het is een open tekensysteem, bruikbaar om zich mee uit te drukken als dat wenselijk is. Behalve deze toepasbaarheid gaan sommigen zelfs zover om het systeem te ridiculiseren. De modernisten hebben immers iets teveel geloofd dat ze nieuwe onwrikbare waarheden over kunst brachten en zijn daarbij het leven zelf en de maatschappij errond vergeten.

Deze hybride vorm van abstractie kent vele beoefenaars. Een ganse stroming, die men de ‘neo-geo’ noemt, heeft getracht de twee verschillende vormen van abstractie te kruisen. Daarenboven werd gepoogd er opnieuw leven in te blazen en maatschappelijk stelling te nemen. Het systeem zelf van de geometrische abstracte kunst, in haar extremiteit een vorm van artistiek fundamentalisme, werd zelfs op de korrel genomen. In de grote diversiteit aan kunstvormen in het begin van de jaren tachtig is de neo-geo diegene die een beroep doet op de verworvenheden van de geometrische abstractie, maar tegelijk met de ‘traditie van het nieuwe’ breekt. Er wordt in die periode veelvuldig naar verschillende stromingen van het modernisme verwezen, maar het modernisme verdraagt een dergelijke diversiteit niet. Vandaar dat men van ‘post’-modernisme gewag is gaan maken. De neo-geo vertrekt vanuit de overtuiging dat de abstracte schilder- en beeldhouwkunst geen relevantie meer heeft. Daarom wordt ernaar verlangd om de mogelijkheden van de abstractie te herbronnen en uit te breiden, teneinde de menselijke ervaring uit te drukken. De vertegenwoordigers van de neo-geo stellen belang in het verkennen van de grenzen tussen abstractie en representatie.

Als theoretisch kader voor deze kritiek op het modernisme verbonden aan de geometrische abstractie wordt verwezen naar het gedachtegoed van het poststructuralisme. De avant-garde heeft zich immers voorgedaan als een progressief ontplooien van stijlen, waarbij de ene verder bouwt op de andere, telkens ‘origineel’ en onherhaalbaar in een sfeer van heldendom. Door de correcte regels te overschrijden, in casu het zuivere geometrische, wordt gebroken met de mythe van het modernisme. Gelijktijdig wordt de weg geopend voor nieuwe mogelijkheden. De abstractie wordt dus niet langer beschouwd als een universele taal, maar eenvoudigweg als een code, een manier om dingen voor te stellen, die een toegelaten buitensporigheid was van de cultuur van de twintigste eeuw.

De internationale namen verbonden aan de neo-geo zijn Lasker, Bleckner en Halley. Jonathan Lasker (1948) ironiseert de lyrische abstractie en het verband dat ze zou hebben met het onbewuste door precies een zeer onhandige gestuele kunst te maken. Ross Bleckner (1949) ridiculiseert door de op-art te vermengen met barokke figuratieve motieven. Peter Halley (1953) vertrekt van een van de standaardwerken van de geometrische abstractie, nl. Hommage aan het vierkant van Albers, om via het aanbrengen van lijnen, die ontegensprekelijk naar tralies verwijzen, een aanklacht te formuleren tegen de uitsluiting van de machteloze minderheden. Hij heeft zijn les van de filosoof Michel Foucault geleerd.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.