Paul Delvaux (1897-1994)

Marcel Mariën schuwde het niet zeer kritisch te zijn tegenover zijn surrealistische vrienden. Zo kwam na vijfentwintig jaar zelfs een einde aan de vriendschap met Magritte, nadat hij naar aanleiding van diens retrospectieve in Knokke (1962) een pamflet geschreven had waarin hij een persiflage maakte op de werken van Magritte. Hij vond immers dat Magritte sinds zijn succes aan overproductie was gaan doen. Wie een bestelling van twee schilderijen deed, zou er een dertiende Magie noire gratis bijkrijgen. Later kwam het met de weduwe van Magritte zelfs tot een proces. Mariën had immers aan het licht gebracht dat de in een Brusselse galerie in 1970 tentoongestelde gouaches vals waren. Ze waren echter van een echtheidscertificaat voorzien van de hand van mevrouw Magritte. Mariën won het proces, maar het is duidelijk dat weduwe Magritte er niet mee gediend was. Daarenboven had hij ook een buitenechtelijke relatie uit de doeken gedaan. Mariën wou tonen dat surrealisten mensen waren, geen goden. Of dan eventueel Griekse goden.

Ook van Paul Delvaux heeft hij geen vriend gemaakt door hem in Les corrections naturelles (1947) te beschuldigen van de uitbuiting van de voorbije surrealistische ontdekkingen. Wat niet belet dat zijn kritiek een grond van waarheid heeft. Dat was overigens ook de mening van Magritte. Delvaux was eerst expressionist onder invloed van Permeke. Het surrealisme was een bevrijding. Hij bekeek het echter uitsluitend als een schilderstijl, niet als een levenswijze, laat staan als een politiek engagement. Door Breton werd hij wel erkend, maar bij de andere Belgische surrealisten was hij niet geliefd. Men vond hem te commercieel en te braaf. Hij was geen lid van de beweging. Men vond zijn thematiek ook wat te eenvoudig en oppervlakkig: treinen, stations, naakte vrouwen en burgerlijk geklede mannen. Hij werd eveneens aangetrokken door skeletten.

Nog minder hield Delvaux van de dadaïstische band met het surrealisme. Vermits Breton zijn werk waardeerde werd hij uitgenodigd om deel te nemen aan de “Exposition Internationale du Surréalisme” in Parijs (1938). Voor dit opzet was echter Marcel Duchamp verantwoordelijk die de bedoeling had de toeschouwer in de war te brengen. Zo hingen er aan het plafond zakken kolen en was de vloer bedekt met takjes. Het was meer een happening dan een tentoonstelling. In sommige hoeken stonden bedden met vuile gekreukelde lakens. Of in één bed kronkelde een actrice in een gescheurd nachthemd die onder het uitstoten van ijselijke kreten geregeld van het ene bed op het andere sprong. Paul Delvaux bezocht de tentoonstelling maar stond niet open voor zo’n rare manifestatie. Hiervoor was hij een te groot estheet.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.