Cobra in België

Naast het buitengewoon actief stichtend lid, Christian Dotremont, is Pierre Alechinsky onder de Belgen de beroemdste Cobrakunstenaar. Onder de beeldhouwers zou men Pol Bury kunnen vermelden, maar die ging vlug over naar een sobere vorm van kinetische kunst. Sporadisch was ook Hugo Claus al eens bij de activiteiten van de beweging betrokken. Een aantal namen is jammer genoeg niet meer vermeldenswaardig. Bij diegenen die in het zog van het officiële gebeuren dezelfde geest uitstralen zijn dan weer een aantal zeer interessante kunstenaars. Louis van Lint, Jan Cox, Raoul Ubac en Serge Vandercam, als schilders en Reinhoud en eigenlijk ook Roel D’Haese als beeldhouwers. Maar ook Maurice Wyckaert die, precies wegens het afwijken van de nieuwe regels, aan het doctrinaire dat in elke beweging schuilt ontsnapt is.

Het zou verkeerd zijn het Cobragebeuren teveel als een losstaande zaak te zien. Die vrijheid van schilderen kaderde in een tijdsgeest, met aan-, gelijk-, na-, en uiteraard ook meelopers. De band met het surrealisme betekende ook dat de literatuur dicht in de buurt was.
Zo werd in Luik (1949) de groep Réalité-Cobra gesticht door de schilders Georges Collignon (1923) en Léopold Plomteux (1920), vrij vlug bijgetreden door o.a. Pol Bury. De groep ontleent zijn belang aan het feit dat voor het eerst in België na WO II de verdediging opgenomen werd voor de abstracte kunst met de bedoeling haar beter bekend te maken. De tweede internationale Cobratentoonstelling in Luik in 1951 was aanleiding voor onenigheid en de groep werd ontbonden. Niet getreurd, want de reeds genoemden, aangevuld met Jo Delahaut en Jean Milo (1906-1993) stichtten in 1952 de Groupe Art Abstrait in Brussel. Het hoofddoel kon dus bestendigd worden.

Taptoe was ook zo’n broeinest van de naoorlogse zoektocht van kunstenaars naar hun weg die bij voorkeur naar het buitenland zou leiden. Parijs is er nog steeds het symbool van. Eerst was het gestencilde tijdschrift, uitgegeven door o.a. Walter Korun, noodzakelijk pseudoniem voor de beroepsmilitair Piet De Groof (1931), die het nog tot generaal-vlieger zou brengen, maar zich vooral onderscheidde, naast zijn vele medailles, door een grote liefde voor de kunst. Hij was een belangrijke bron voor die periode van de uitlopers van de Cobra. De naam werd overgenomen door Galerie Taptoe, annex café, opgericht door Clara en Gentil Haesaert in hartje Brussel (december 1955 tot april 1957). Het was o.a. een reactie tegen de te grote macht van het Franstalige Palais des Beaux-Arts, dat vooral de Franse kunst promootte. Toch werd er Frans gesproken, zelfs aan de toog. En prijkten op de affiche van de eerste tentoonstelling (december 1955) een mengeling uit de eigen kunstenaarsstal (Alechinsky, D’Haese, Vandercam, Wyckaert) met een aantal namen uit Parijs. Ze hoopten op uitwisselingen. Het initiatief was dus enigszins dubbelzinnig, maar geenszins ingegeven door flamingantisme. Het bleef ook de plaats die Asger Jorn, de onvolprezen Cobraman, frequenteerde om zijn Belgische contacten te onderhouden eens de Cobra als groep uit elkaar was gevallen.

Maar vanaf 1955 was er een hernieuwde belangstelling voor de Cobra in België. Taptoe was ook de plaats waar de Situationistische Internationale besproken werd. Dit was een artistiek-politieke beweging die leven en kunst wou verenigen o.a. door te ijveren voor publieke ruimten die niet de onmenselijke dimensies hadden zoals die door de geometrie van de modernistische architectuur voorgeschreven werd. Wyckaert was er een actief lid van, evenals de reeds genoemde Walter Korun.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.