De nieuwe figuratie: de naoorlogse vernieuwing

Na de tweede wereldoorlog werd de kunstwereld vlug ingenomen door een nieuwe generatie jonge kunstenaars, die onder oorlogs­omstandigheden academie hadden gevolgd bij (post-) expressionistische leraars. Veel informatie over wat in de artistieke buitenwereld leefde, hadden ze niet. Ze gisten hoe de internationale kunst er zou uitzien. Het is voor zover mij bekend nog nooit grondig onderzocht wat de beste voedingsbodem is voor creativiteit. Ofwel hun situatie, namelijk de afwezigheid aan informatie over wat de collegae aan het doen waren, ofwel de huidige situatie waarin iedereen via internet stante pede te zien krijgt wat de andere aan het maken is. De kwaliteit van de gerealiseerde oeuvres is in elk geval van die aard dat we niet moeten treuren over een verloren generatie. Misschien is het voor kunstenaars niet slecht zich te verbeelden wat er elders gebeurt, eerder dan het effectief te zien. Sommigen hadden overigens wat zwart-wit boekjes over bijvoorbeeld Picasso, die ze langdurig bespraken, al dan niet in de schuilkelders. Of bijvoorbeeld in het Hotel Oslo. Dit was het ouderlijk huis van de schilder Frans Piens. Tijdens de oorlog was het uit broodnood een ‘rendez-vous’-hotel geworden. Ook de jonge kunstenaars van de Gentse academie ontmoetten er elkaar en bleven er soms overnachten omdat men na tien uur niet meer op straat mocht. Daar werd over beeldende kunst en literatuur gediscussieerd en naar muziek geluisterd. Zij bespraken er het werk van Picasso, maar vooral dat van Cézanne. Piens had een bibliotheek met onder meer boeken over Giotto.

Daarenboven ging in een sfeer van naoorlogse euforie de kunstwereld open, zodat kort daarna de vruchten van het internationale gebeuren al geplukt werden. De jaren ’47 en ’48 tonen het ontluiken van een nieuwe kunst. De kunstscène van Parijs was ondertussen bekend. En de eerste informatie uit New York, wat door de oorlogsomstandigheden het nieuwe Mekka van de kunst geworden was, kwam binnengesijpeld.

De meeste figuren uit deze generatie hebben drie fasen doorlopen. Hiermee bedoel ik niet dat de derde periode zelf niet meer kan onderverdeeld worden. Anderen bleven trouw aan de tweede periode, namelijk de abstractie. De eerste fase is academisch en in dit geval betekent dat dus een verderzetting van een soort Vlaams expressionisme. Bij de interessansten onder hen blijkt reeds uit hun jeugdige verwerking van dit aanvangsgegeven hoe ze op zoek zijn naar vernieuwing. De basisprincipes, thematieken incluis, van het expressionisme blijven evenwel zichtbaar. De werkwijze om zich te “bevrijden” van deze ondertussen met uitholling bedreigde kunstvorm, was de ab­stracte kunst. De meesten onder hen zijn dat oubollig geworden vooroorlogs expressionisme ontlopen door de figuratie eruit te bannen via abstractie. Hoewel abstracte kunst in die tijd, zeker in Vlaanderen, niet overal op waardering kon rekenen, was het toch een vrij begrijpelijke evolutie. De zwaarmoedige landelijke thematieken ver­dwenen, maar het expressieve bleef bewaard. Abstractie bleek geen volledige ommekeer te zijn. De gevoelsmatigheid, verbonden aan het expressionisme, hield stand onder een andere vorm. Het was immers de “vorm” van het Vlaams expressionisme die in de naoorlogse periode versleten was geraakt.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.