Edouard Léon Théodore Mesens (1903-1971)

E.L.T., Edouard Léon Théodore, Mesens is de verbindingsman tussen de surrealisten. Hij kende de Parijse artistieke kringen, verbleef lange tijd in Londen, en bracht de Brusselse surrealisten samen met deze van Henegouwen. Tussendoor was hij ook kunsthandelaar. In 1931 kocht hij op de gedwongen verkoop van de failliet gegane Galerie Le Centaure een paar honderd werken van Magritte. Hij was dus als het ware aandeelhouder. Al hadden ze al eens ruzie, toch waren hun levens onafscheidelijk. Mesens en Magritte maakten samen meerdere tijdschriften.

E.L.T. Mesens was ook de link met het dadaïsme. Hij wist wat er gebeurde in Parijs. Toen hij in 1921 kennis maakte met Tristan Tzara was hij al op de hoogte van de dadaïstische activiteiten. Hij had een grote bewondering voor Erik Satie, de avant-gardemusicus die hem in het milieu introduceerde. Samen met de Antwerpse kunstenaar Paul Joostens, behoorde hij tot de eerste, en zo goed als enige dadaïsten in België. Ze kenden elkaar. Met uitzondering uiteraard van Clément Pansaers die al in 1920 banden met de dadaïsten in Parijs had en in datzelfde jaar al een dada-activiteit in Brussel deed. Er zijn echter geen bronnen waaruit zou blijken dat Mesens en Pansaers elkaar kenden. Maar dat Mesens Magritte introduceerde in het dadaïsme is wel een interessant gegeven. Het levert een van de verklaringen waarom het tussen Magritte en Breton nooit al te best is gegaan. In het jaar waarin Breton het eerste Manifeste du Surréalisme (1924) liet verschijnen, werkten Mesens en Magritte mee aan het laatste nummer van 391, het tijdschrift van Picabia. Ze kozen dus openlijk stelling voor dada, precies op het ogenblik dat er tussen de dadaïsten en de nieuwe groep rond André Breton meningsverschillen waren gerezen.

Het duo Mesens-Magritte maakte het enige nummer van Oesophage. Men kan dit zien als hun dadaïstisch manifest in België. Opgesteld in een even drieste taal als hun Parijse geestesgenoten. E.L.T. Mesens maakte al vanaf 1924 in bepaalde perioden collages. Voor de oorlog werd hij vooral geïnspireerd door Max Ernst. Hij maakte gebruik van foto’s, rayogrammen en oude gravures en speelde met de typografie. Vanaf 1952 tot zijn dood maakte hij opnieuw collages. Van dan af eerder beïnvloed door Kurt Schwitters, die hij ten zeerste bewonderde. Hij had ook een theoretische kijk op het fenomeen van de collage, zoals we bij Xavier Canonne kunnen lezen: “Mesens wierp zich eveneens op als kenner van deze kunstvorm die almaar populairder werd. In zijn woord vooraf bij de in 1953 in het Casino van Knokke georganiseerde tentoonstelling Max Ernst probeerde hij om een typologie van de collage op te stellen. Hij onderscheidde enerzijds de ‘papieren collages’ van kubisten als Braque, Laurens en Picasso, die een soort ‘plastische oplossing’ zijn, waarin de gebruikte elementen –krantenpapier, behangpapier, imitatiemarmer of imitatiehout – hun reële waarde behouden, en anderzijds de surrealistische collage, die geen plastische of esthetische bedoelingen heeft en gebruikmaakt van reële elementen om een fictief tafereel te componeren, een verhaal te vertellen of een poëtische schok teweeg te brengen. Mesens maakte ook onderscheid tussen de fotomontage, assemblages met polemische bedoelingen zoals die van John Heartfield, en de uitgeknipte papieren vormen van Henri Matisse, die op het vlak van de collage een coherente, eigenzinnige weg volgde.”

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.