Existentiële kunst

Aan de betrachting daarentegen om een innerlijke gevoelswereld tot uitdrukking te brengen was een grote nood. Men leefde immers in het intellectuele klimaat van het Franse existentialisme, gevoed met het gif van een concrete oorlog, gekruid met de illusie dat de menselijke miserie voorgoed voorbij zou zijn. Hoe kan men een dergelijke stemming beter zichtbaar maken dan zonder figuren. Wat de schreeuw van Munch (1893) vermocht, voor de tijd van de wereldoorlogen, kan men na zo’n tijdperk beter verborgen tonen.

Men had immers voldoende miserabele blikken gezien. De angst, de “angustiae”, de Latijnse oorsprong van dat woord dat “al wat eng is” betekent, de beklemming dus, kan men evengoed non-figuratief oproepen. Niet voor niets komt, volgens dat existentialistisch gedachtegoed, via de angst het “niets” tot uiting, de ervaring van de ondergang van alles, die voor Sartre en zijn geestesgenoten, paradoxaal genoeg, de ware ervaring van het zijn is. De schilderkundige uitdrukking ervan kan het best enkel met kleur, via niet thuis te brengen vormen en met de nadruk op het huidkarakter dat verf kan vertonen. Dit alles aangebracht met de zichtbare sporen van de lichaamsbeweging, de “gestualiteit”, zoals men dat is gaan noemen, van de gekwelde kunstenaar, die aldus rechtstreeks zijn emoties aan het doek toevertrouwt. Deze nood aan abstractie geldt tevens voor de andere begrippen uit het existentialistische jargon: vervreemding, absurditeit, walging, verontrusting, vervorming; maar ook: vrijheid, authenticiteit en gedaanteverwisseling.

Velen van deze naoorlogse jongeren hebben dartel in dit bad van non-figuratieve kunst gespeeld. Sommigen zijn er blijven in zwemmen, o.a. Antoine Mortier als excellent voorbeeld. De meesten hielden het na een tijdje voor bekeken. De abstractie houdt immers het gevaar in van enkel decoratief te worden. Ze kan de leegte van het bestaan tonen, maar ze kan ook gewoon leeg zijn. Hoe dan ook kwam er reactie op deze kunstvorm, die inhoudelijk als te subjectief individualistisch (het eigen schildersgebaar) bekeken werd, en qua stijl als te puristisch, d.w.z. de vorm om de vorm.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.