Francis Bacon als tweede voorbeeld van het existentialisme

Het existentialisme dat na WOII het denken beheerste, is een filosofie van de vrijheid waarin de mens zelf zijn lot in handen neemt om tot een zinvol bestaan te komen. Het is tevens een filosofie die aan God vaarwel heeft gezegd. Deze afscheidsgroet heeft ook tot gevolg dat hij gepaard gaat met een ander mensbeeld. Het klassieke humanisme dat de goddelijke perfectie als streefdoel had, kon niet langer meer. Of m.a.w. het platonisme, de filosofie die aan het ideaal model meer werkelijkheidswaarde schenkt dan aan de zintuiglijke wereld van vlees en bloed, is onaanvaardbaar gebleken. Het “existentialisme is een humanisme”, zoals Sartre stelde, maar het betreft de waardering van een nieuwe mens die zijn tekortkomingen niet verbergt maar beleeft: vol angst en pijn, kwetsbaar en verwond, verminkt door zichzelf of door de ander. Bij dit alles worden de dierlijke driften niet ontkend, de verantwoordelijkheid ervoor evenmin. Ontbonden en ontwricht worden de wonden gelikt. Dit aangetaste mensbeeld wordt op prangende wijze tot uiting gebracht doorheen het oeuvre van Giacometti en Francis Bacon.

Francis Bacon (1909-1992) zette het spelen met gedaanteverwisselingen van Picasso uit de jaren ‘20-’30 verder. Hij komt aldus tot een eigen figuratie van vervormde levende wezens. Zeg maar “mensen”, maar dan toch vaak met de nadruk op de dierlijke verwantschappen. Bij het schilderen van het menselijke gelaat liet hij zich soms inspireren door de foto van de openge¬sperde muil van een wild dier. Bacon breekt met het burgerlijke onderscheid tussen “schilderachtige” taferelen en dingen die niet horen op het doek. Niets menselijks is hem vreemd en wanneer hij vlees schildert zijn het geen witgepoederde wangen van deftige dames. Bloed en vlees vond hij mooi, ook in verscheurde toestand.

Hij was gefascineerd door de kruisiging en ontwikkelde aldus een esthetica van het geweld. Wanneer hij een vrijend koppeltje – zijn eigen geaardheid volgend – homoseksuelen schilderde, sluit de opgeroepen sfeer eerder aan bij een strijd om leven en dood dan bij een vrolijke wip na een theekransje. Hij maakte ook een paar dozijn studies naar het in de zeventiende eeuw door Velázquez gemaakte portret van Paus Innocentius X. In de plaats van de gelaatsuitdrukking, eigen aan de machthebbende vertegenwoordiger van God op aarde, krijg je bij Bacon een half krijsende, half grijnzende tronie te zien van een machteloze heerser. De gedachte die er achter schuilt is inderdaad dat andere tijden andere machtsverhoudingen kennen. In feite zouden alle schilderijen voortdurend moeten herschilderd worden door eigentijdse kunstenaars om steeds de interpretatie van de tijd aan te passen, zoals in theater- of muziekuitvoeringen. De Mona Lisa zou er anders uitzien, en niet per se met een snor, zoals Duchamp deed.

Bacon herschilderde werken van Van Gogh. Het is overigens duidelijk dat de grote schilders een oude belangrijke maatschappelijke taak uit handen gegeven hebben, nl. het schilderen van machtsbevestigende staatsieportretten. Bacon zou immers een koningin, gezeten op de pot, durven portretteren. Een belangrijk aspect in het ontstaansproces van het werk van Bacon is het aanwenden van de fotografie of van filmstills als uitgangspunt voor een schilderij. Bacon maakte hierbij gebruik van de specifieke vormkenmerken van de foto zelf. Zijn soms rare poses, bijvoorbeeld, zijn gebaseerd op foto’s van atletische gebouwde mannen van wie de beweging in series vastgelegd werd door Muybridge. De foto levert ook gelaatsuitdrukkingen op die zeer expressief zijn. Men kan een levend model immers bezwaarlijk uren lang muilen laten trekken.

Deze schilderkunst van Bacon wordt wel eens met de term “contorsionisme” bedacht, omwille van de wijze waarop de figuren zich in bochten wringen en omdat de gelaatsuitdrukking eerder bij de grimas aanleunt. Het woord “defiguratie” kwam voor dat soort kunst van de vervorming in zwang nadat het een deel van de titel van een baanbrekende tentoonstelling in Gent is geweest. (4) Beide woorden verwijzen naar de droombeelden waarin de figuranten vaak op een gelijkaardige wijze vervormd geraken. Er is hier opnieuw een lijn te trekken naar het surrealisme. De betreffende vervormingen en het uit de hand laten lopen van de begrenzingen zijn immers ook een vorm van “écriture automatique”. Verfspatten worden ernstig genomen toevalligheden. Het opwekken van existentiële thema’s via de kruising tussen surrealisme en expressionisme, met abstrahering als bindmiddel is een typisch kenmerk van de kunst die eind de jaren veertig in zwang geraakt. Denk maar aan de Cobrabeweging (1948) als ander voorbeeld. In België vindt men een gehele generatie die hierbij aansluit. Jan Burssens is er een goede vertegenwoordiger van.

4) “Figuratie en Defiguratie, 10-7 tot 4-10-1964, Museum voor Schone Kunsten, Gent

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.