Het academisme

De schilderkunst is in de twintigste eeuw als de feniks die telkens opnieuw herboren uit zijn as opstaat. Er zijn perioden geweest waarin de kunstexperts iedere kunstenaar aanraadden om de borstels op te bergen. Schilderkunst was vieux-jeu. De rage van de conceptuele kunst in de jaren zestig-zeventig was een dergelijke episode. Op andere momenten werd de kunstscène overspoeld door de resultaten van de schildersdrift, zoals in het begin van de jaren tachtig. In werkelijkheid is steeds een zeer groot aantal schilders blijven verder werken. Het is dus juister te spreken van wisselende aandacht voor de schildersproductie dan te doen alsof de kunstenaars geregeld de brui geven aan het medium verf. In de Biënnale van Venetië 2001 was nauwelijks een schilderij te bespeuren. In deze van 2003 was de schilderkunst er terug bij, met zelfs een aparte hommagetentoonstelling als hoogtepunt van het gebeuren. Er is ook geen enkele reden om voor wat de toekomst betreft te spreken van zoiets als het “einde van de schilderkunst”.

Nieuwe media verrijken het artistieke landschap. Het zou een verarming betekenen mocht dit ten koste zijn van de oude media. Als de cultuurfilosofie van de laatste decennia ons iets geleerd heeft, is het wel dat het bestaan van het ene niet per se moet leiden naar de ondergang van het andere. De verscheidenheid is een waarde gebleken. Dezelfde thema’s in een verschillend medium gebracht, geven een andere kunst¬beleving. Het kunstwerk verandert immers van betekenis als het vertaald is in een ander medium. Verf heeft zijn mogelijkheden bewezen. De uitputting is niet nabij.

De belangrijkheid van de schilderkunst heeft er in de twintigste eeuw voor gezorgd dat ze kop van jut werd voor vele avant-gardebewegingen. Hoge bomen vangen veel wind en ten tijde van revoluties is het ambt van koningin niet benijdenswaardig. Het medium waarmee de Westerse cultuur haar chefs d’oeuvres zien vervaardigen heeft, is in de eeuw van de artistieke omwenteling ook voorwerp geworden van verregaande kritiek vanuit de kunstwereld zelf. Om twee redenen is dit terecht. Enerzijds maatschappelijk, want klassieke schilderkunst is onlosmakelijk verbonden met de waarden van adel en burgerij. In de eeuw van de socialistische emancipatie zijn deze niet echt geliefd. Artistiek gezien anderzijds, heeft verf zich vermengd met de “canon van het academisme”, d.w.z. met de regels van de kunst zelf. Het woord “academisme” moet men in zijn volle diepte nemen. D.w.z. dat een schilderij gemaakt is zoals het hoort in de academie, dus met weinig vrijheid. De naam “academie”, is echter ook niet onschuldig. Het was de school van Plato en dat is niet toevallig. Plato hield niet van schilderkunst. Als de werkelijkheid al een afschaduwing is van de Idee, zoals Plato dacht, dan is een geschilderde nabootsing immers een schaduw van een schaduw. Dat kan dus de reden niet geweest zijn om de naam over te nemen.

Als men toch die naam gekozen heeft, dan wijst dit op het feit dat de schilders zich niet neergelegd hebben bij de veroordeling door Plato. Samen met de filosofen, die de Goedheid en de Waarheid voor hun rekening genomen hadden, zagen zij zich, in de loop van de geschiedenis van de schilderkunst als de uitverkorenen om de Idee van het Schone zichtbaar te maken. Kenmerk dus van het academisme is het geloof dat in de Academie door de meesters deze regels van de kunst gekend en overgeleverd werden. Dat de Schoonheid “bestaat” is een Platonische gedachte van de zuiverste soort. Via vastgelegde ambachtelijke technieken kan ze gerealiseerd worden in een kunstwerk. Midden de negentiende eeuw is men gaan inzien dat Schoonheid als “ideaal” niet bestaat, maar dat ze meervoudig is, dat er dus meerdere schoonheden zijn waarvan geen enkele het voorrecht heeft om met een hoofdletter geschreven te worden, hoe mooi ze ook zijn. Doorgaans wordt het impressionisme beschouwd als de eerste afwijking. De dingen schilderen zoals men ze waarneemt al naar gelang de tijd van het jaar en het uur van de dag, staat wel zeer ver van het bed van Plato, die liever denkt over hoe de wereld is, dan er naar te kijken. De schilders, die doen alsof hun neus bloedt, en in het oude schoonheidsideaal zijn blijven geloven, zijn voorwerp geworden van de spot van de avant-garde. Het woord “academisch” was niet langer de glorierijke aanduiding om aan te geven dat een werk volgens de regels van de kunst gemaakt is, maar een verwijt. “Academisme” wordt van dan af gebruikt om werken mee te bestempelen die getuigen van volgzaamheid zonder inspiratie en waarin de ambachtelijkheid als enige verdienste zichtbaar is. Deze verwerping geldt niet alleen voor de techniek, maar wordt uitgebreid tot de traditionele thematieken. De klassieke voorstelling van portretjes, landschappen, interieurs en stillevens is plots uit den boze. De moderne kunst laat dat niet toe.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.