Het einde van de avant-garde

Doorgaans laat men de moderne kunst beginnen vanaf de impressionisten. Na 1945 begon men meer en meer te spreken van “hedendaagse” kunst om een onderscheid te maken met de ondertussen meer en meer gevestigde “moderne” kunst. Het adjectief “hedendaags” is echter een eeuwigheid beschoren, want het kan gebruikt blijven worden, ook al is ondertussen de aard van de kunst veranderd. Vandaar dat men kan stellen dat de moderne kunst loopt tot einde de jaren zeventig. Vanaf ongeveer 1975 komt de term “postmoderne” kunst in zwang. Dat zal vermoedelijk ook de naam blijven voor de periode die van ongeveer 1980 ten volle doorbreekt. Al is het niet onmogelijk dat men later in de kunsthistorische terminologie enkel van “modernisme” gewag maakt en het “postmodernisme” beschouwt als een onderdeel ervan.

De “methode” van het modernisme kan men de “avant-garde” noemen, de kunst die als hoofdkenmerk heeft “nieuw” te zijn, d.w.z. te verschillen van wat eraan vooraf ging. En dit in die mate dat er van een breuk in de opvatting over wat kunst nu is, gewag gemaakt kan worden. Dat dit proces een einde kan hebben was te voorzien en te verwachten. De postmoderne kunst kan men dan ook niet langer als “avant-garde” beschouwen. De voorhoede is voorbij. De postmoderne kunst is de hoede zelf, het zijn de troepen die zeer goed weten wat hen te doen staat, welke strijd ze moeten strijden. De boeiende vraag is wanneer de achterhoede zichtbaar zal worden.

Men kan de kenmerken van de modernistische kunst samenvatten in zeven punten:

1. Het modernisme ziet kunst als een uniek gegeven dat niet per se bestemd is om door een algemeen publiek begrepen te worden.

2. Kunst heeft een geschiedenis met een rechtlijnig verloop dat als vooruitgang gedacht wordt.

3. De avant-garde loopt parallel met een sociale revolutie en ze doet dit vanuit een anti-kapitalistische houding.

4. De kunst wordt bekeken als een zuiver formele aangelegenheid. Realisme is hierbij uit den boze. De persoonlijke vormgeving primeert.

5. Het kunstwerk is een organische eenheid waarbij decoratie en ornament verworpen worden.

6. Het kunstwerk is niet lokaal verbonden aan de bepaalde gemeenschap waartoe de kunstenaar behoort, maar het heeft het vermogen om waarden uit te dragen die geldig zijn voor de gehele mensheid.

7. Het nieuwe in het kunstwerk komt tot stand door een creatieve vernietiging van de oude realiteit.

Het is ook duidelijk dat het hyperrealisme nog aan deze voorwaarden van het modernisme voldoet, met uitzondering dan van het punt waarin het realisme niet mag. Precies door dit verbod is het hyperrealisme toch nog avant-garde omdat het uiteindelijk nog een ultiem verbod gevonden heeft om te overtreden. Het is dan ook het einde van de avant-garde, nadien komt geen kunst meer die één principe huldigt, maar wordt er lustig geplukt uit wat het verleden te bieden heeft aan interessante vormen. Deze worden volop met elkaar gecombineerd. Dit zou een mogelijke omschrijving zijn van het postmodernisme.

Men kan ook besluiten de moderne kunst niet te laten aanvangen met de impressionisten, maar met de stroming ervoor, het realisme dat een reactie was op het romantisme. Zo bekeken is Gustave Courbet (1819-1877) de vader van de moderne kunst. Het beginjaar is dan 1855, het jaar waarop hij zijn werk toont op de wereldtentoonstelling onder de naam “realisme”, samen overigens met de publicatie van een “Realistisch Manifest” in de catalogus. Het is een mooi idee om de oorsprong van de moderne kunst in handen te geven van de schilder van “L’origine du monde”, een vrij laag genomen torso van een vrouw. Het maakt van de geschiedenis van de moderne kunst ook een duidelijke cirkel: van realisme tot hyperrealisme.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.