Het kubisme

De assemblagekunst sluit nauw aan bij het surrealistische gedachtegoed. Ze suggereert immers nieuwe verbanden die we in onze gewone omgang met de objecten niet zien. Toch zijn het de kubisten die de eer hebben de eersten te zijn geweest om iets dat geen verf is op het doek te plakken. De zogenaamde “collage” is inderdaad de voorloper van de assemblage. Van een “collage” spreekt men wanneer materialen, zoals papier, hout, foto’s, kranten, textiel en zo meer, in een bepaalde volgorde op een drager gekleefd worden. Het was Picasso (1881-1973), toen volop in zijn kubistische periode, die in mei 1912 de eerste collage maakte. In zijn “Nature morte à la chaise cannée” bracht hij een stuk “toile cirée” aan waarop de reproductie gedrukt stond van de rieten zitting van een stoel. Deze speelsheid is betekenisvol. De materiaalbeschrijving van een schilderij luidt doorgaans “olie op doek”. Picasso kleefde er een stuk wasdoek op. In het Engels is “toile cirée” in dat verband nog sprekender: “oilcloth”. Daarenboven bracht hij de realiteit niet in het doek, nl. een rieten stoelzitting, maar een afbeelding ervan. Het is duidelijk dat de collage van bij de aanvang haar doel niet miste. Ze werd een medium om het illusiespel tussen realiteit en afbeelding op zijn scherpst in beeld te brengen, vergelijkbaar met een woordspeling.

Het kubisme vond zijn gangmakers in de artistieke vriendschap tussen Picasso en Braque. Kunsthistorisch onderzoek wijst het vaderschap meer en meer toe aan Georges Braque (1882-1963). Hij heeft de aanzet voor een kubistische kijk die door Cézanne gegeven werd, verder ontwikkeld vanaf 1907, overigens hetzelfde jaar als het ontstaan van “Les Demoiselles d’Avignon” van Picasso. Dus doet het verschil in start er niet zoveel toe. Braque heeft dan ook kort na Picasso in september 1912 een hele reeks “papiers collés” gemaakt. Hierdoor was de collage geen eenmalig gebeuren meer, maar een genre. In de winter van dat vruchtbare jaar werkt Picasso met ijzer, karton en hout. De collage werd sculptuur. Men kan stellen dat via deze derde dimensie de assemblage geboren is. De collage en de assemblage hebben overigens tot op vandaag een aantal kenmerken van dat kubisme behouden. Ten eerste is er de schatplichtigheid aan de Afrikaanse kunst. Deze kunstvorm vindt niet zozeer zijn kracht in de nabootsing van de realiteit, maar hij ontwikkelt een vaak sterk geabstraheerd tekensysteem waaruit dan de symbolische betekenissen ontstaan. Daarenboven wordt in de Afrikaanse kunst een beroep gedaan op resten van in onbruik geraakte voorwerpen uit het dagelijkse leven. In Afrika wordt hieraan een magische kracht toegeschreven. De kubisten hebben dit aangewend om de esthetische kracht te vergroten. De patina van de slijtage van de voorwerpen werd opgenomen als een esthetisch betekenisgevend element of op zijn minst als de poëzie van het gebruiksvoorwerp.

Ten tweede hebben de kubisten onze blik wandelen gezonden door gelijktijdig verschillende invalshoeken in hetzelfde beeld binnen te brengen. Deze verwarring van het oog is een belangrijk aspect gebleven van zowel de collage als van de assemblage. Bij de kubisten waren de collage en de assemblage een middel om via een derde dimensie hun spel met de invalshoeken te vergroten. De assemblage opende letterlijk perspectieven.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.