Jean-Georges Massart (1953- )

Jean-Georges Massart wil wilgen temmen. Hij kiest als eenvoudig materiaal de soepelste houtsoorten: bamboe en teenwilg. Wilg blijft buigzaam, maar bamboe kan hard worden. Door deze verharding wordt de textuur mooier. Een stuk bamboe krijgt al gauw de statische uitstraling van een cultusvoorwerp. Door het gebruik van okerpigmenten wordt die verwijzing naar het rituele nog versterkt. Het spel tussen natuur en cultuur wordt hier ten volle beoefend. Natuur wordt cultureel gebruikt, maar blijft naar zijn eigen aard verwijzen, de structuur van haar groeiproces.

Wilg is vlechtbaar en laat zich in alle vormen plooien zelfs in deze waar de natuur het verst vandaan staat, nl. de geometrische. Hierdoor komt de spanning tussen cultuur en natuur nog beter tot uiting. Het grillige wordt aan maatstaven gebonden en hierdoor meetbaar. Het exact berekenbare wordt gerelativeerd omdat de spanning van de natuur in de twijgen blijft zitten. Er wordt niet enkel in twee dimensies gewerkt. Jean-Georges Massart maakt ook lichte volumes met wat enkel de zijlijnen zijn. Hierdoor wordt het ruimtelijke als zeer licht gesuggereerd. De wereld die Jean-Georges Massart oproept, is er een van tere broosheid, maar precies daardoor van kwetsbaarheid. De soberheid is adembenemend. In tegenstelling tot de bomen is er bij de werken van Massart geen takje teveel. Er kan niet gesnoeid worden.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.