Luc De Blok (1949- )

Luc De Blok is een materiekunstenaar. Hij is zich zeer goed bewust van het feit dat de eigenschappen van het materiaal op zich betekenisproducerend zijn. Het medium levert zijn eigen bijdrage in dit proces. Geschoold in het keramische bedrijf, ingewijd in de geheimen van het bronsgieten, om er maar enkele te noemen, kent hij de kunst in de zin van de Griekse ‘technè’, het inzicht in het ‘hoe’ van het maken. Toch is De Blok geen fundamentele materiekunstenaar, d.w.z. iemand die de materialiteit plastisch onderzoekt om de kenmerken ervan zichtbaar te maken. Luc heeft ook parallel eraan een als conceptueel te klasseren oeuvre ontwikkeld. Dit draait rond twee basisprincipes: het spoor (daar waar de link gelegd wordt met de materialiteit) en het surrealistisch beginsel van de omkering: het spirituele spelen met het onverwachte.

Er is nog een derde leidraad doorheen het werk van Luc De Blok, nl. het voortdurend demonstreren van de eigenheid van het artistieke handschrift. De eigenheid van het-in-de-wereld-zijn werd reeds zichtbaar in zijn Schoenzoolstructuren (1980). De specificiteit van het vingergebruik werd duidelijk in To Touch (1982 -1983). Het beste voorbeeld om de eigenheid van de kunstenaar aan te tonen is echter een experiment dat De Blok in die periode uitvoerde. Met Blok-Notes vroeg hij aan een honderdtal kunstenaars om een persoonlijk spoor na te laten in een natte kleitegel, die dan nadien gebakken werd: de verscheidenheid en daardoor de identiteit van elk van hen valt duidelijk af te lezen.

De Blok ontdekt graag Afrika. Sinds een aantal jaren maakt hij geometrische, abstracte tekeningen (ogenschijnlijk grondplannen van bouwsels) met acryl- of olieverf op ‘orobugo’, een zeldzame, enkel nog door een paar Afrikaanse stammen gemaakte stof op basis van geklopte schors van bomen die daarvoor speciaal gecultiveerd worden. Ook dit behoort tot zijn materiekunst. Wie geen oog heeft voor dit aspect van de artistieke constructie, werkt niet jarenlang op geklopte boomschors die even kwetsbaar als een huid de tastbaarheid symboliseert. De bruine kleur roept een organische verbondenheid met de aarde op zoals dat enkel in Afrika kan. In dit continent bestaat nog zoiets als een eenheid van waarneming, een niet te ontwarren verwikkeling tussen natuur en cultuur.

Het ‘ik’ is weggetrokken uit zijn beeldtaal, in de plaats is er de structuur gekomen waartoe ook de mens zelf behoort, maar niet langer het ‘zelf’ van de mens. Het ‘orobugo’-doek is een collectief product van de groep. Wanneer het gescheurd raakt word het genaaid door een anonieme hand met droog stro. Deze littekens verwijzen naar kwetsbaarheid en vergankelijkheid, maar niet naar een ingreep als daad. De door De Blok gemaakte tekeningen zijn geometrisch abstract, ook weer de minst subjectivistische vormgeving van de moderne kunst. Het zijn grondplannen geïnspireerd op de Afrikaanse bouwtrant, zonder echter kopieën te zijn van reële bouwsels. Het zijn per definitie ‘materialistische’ constructies, d.w.z. vanuit de materialiteit van het dagelijkse leven organisch gegroeid. De Blok maakt daar variaties op, spelend met een gezonder levenssysteem.

Luc de Blok is ook conceptueel blijven werken. Het opzet van de ‘orobugo’-reeks behoort op zich tot de categorie van de ‘vindingrijkheid’. Zijn eigen inbreng is minimaal. Veel werd reeds ‘ready’ gemaakt door de Afrikaanse cultuur zelf. De blikverwarring krijgt loef: “is het van De Blok of heeft hij het meegebracht uit Afrika?” Hier blijft een proces aan de gang waarin het kunstenaarschap (als creatie van een uitzonderlijk individu met vakmanschap) buiten spel wordt gezet. Het concept primeert.

Luc De Blok heeft dit materiedenken ook doorgezet in een reeks sculpturen. Bronzen beelden komen tot stand doordat in een geharde mal de was weggesmolten is en dus door lucht vervangen werd. Brons moet toegevoegd worden en lucht moet een uitweg vinden. Een pas gegoten beeld wordt ontsierd door een serie bronzen teuten, de lucht- en gietkanalen. Normaal worden ze afgezaagd en op die plaats worden dan alle sporen van de aanhechting geciseleerd en weggepolijst. Doorgaans worden deze eindjes brons, die eruitzien als takken, hersmolten en hergebruikt. De Blok verzamelt ze en last ze aan elkaar tot metershoge torens. Op het eerste gezicht lijken het organische groeisels. Bij nader toezien merkt men de ware origine op. Door bronzen beelden te construeren op basis van het afval van het gietprocédé, doorbreekt hij de klassieke opdeling tussen het product en het proces, het afgewerkte beeld en de resten. Hij maakt als het ware monumenten voor een wijze van creëren waarin de sporen zichtbaar zijn. Het resultaat is een sculptuur die qua vormgrilligheid en materie het beste past binnen een Afrikaans landschap, naast een termietennest bijvoorbeeld. Het sluit ook goed aan bij de Afrikaanse esthetica om het beeld kracht te geven door het ruige van de uitdrukking.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.