Pierre Vlerick (1923-1999)

Het werk van Pierre Vlerick vertoont inderdaad enige verwantschap met dat van Willem de Kooning. Daar waar de Hollandse Amerikaan bekend werd voor de wilde wijze waarmee hij zijn canvas te lijf ging, deed Pierre Vlerick het wat rustiger aan, maar het maken van een schilderij was hoe dan ook een langzaam proces met vaak meerdere hernemingen. Het doel van de zoektocht is te komen tot een juiste verhouding van de kleurvlakken en -slierten, vaak laag boven laag. De kleuren hebben een gelijkaardige heldere hevigheid. Hoewel het in beide gevallen een zeer stedelijke, zeg maar mondaine kunst betreft, roept hun werk toch de natuur op.

De Kooning wordt een meester genoemd van de “landschappelijke abstractie”. Ook de opbouw van het werk van Vlerick is zeer plantaardig en organisch. Hij sprak in verband met zijn schilderijen terecht over zijn tuinen. Bij beide zit in dat landschap een vrouw al dan niet verborgen. Bij de Kooning is dat een vrouwentype dat een kruising is tussen de deerne en de moedergodin. Bij Vlerick is dat een vrouw die bijdehands geniet van wat haar eigen lichaam te bieden heeft. Vlerick neemt hier dezelfde houding aan ten opzichte van de abstracte kunst als de Kooning, namelijk de weigering om figuratief te schilderen, gepaard aan het tegelijkertijd niet willen opgeven van een verwijzing naar de realiteit. Dit werd ooit goed geformuleerd in een gesprek (2) waarbij de Kooning stelde dat het inderdaad absurd is (in die naoorlogse tijd) om de menselijke figuur nog langer te schilderen, maar dat het nog absurder is om dit niet te doen. De uitweg uit dit dubbelzinnige straatje zonder einde is de vernietiging van de menselijke figuur. Niet om haar te verwerpen, maar om haar zichtbaar te maken in haar kwetsbaarheid. Ook Vlerick verscheurt zijn frivole dames en toont hen in een mimiek van de uitersten: is het pijn of genot?

Maar laat ons even terugkeren naar het begin. Vlerick had reeds aan de academie het geluk een leraar te ontmoeten die zich via Parijs bevrijd had van de logheid van het Vlaamse expressionisme, namelijk Jos Verdegem. Hij werd het grote voorbeeld van de jonge Vlerick die bij aanvang een soort Verdegem stijl ontwikkelde. Dit was geen valse start omdat hij er zeer verfijnde werken mee maakte.

Wat heeft Vlerick nu van Verdegem overgenomen, maar vooral wat heeft hij eraan toegevoegd? Vlerick startte met relatief kleine werken, zelden groter dan een vierkante meter. Het waren stillevens waarin men soms een hoekigheid terugvindt, die men ook wel eens bij Verdegem ziet (neuzen en handen). Vergeten we niet dat Picasso het grote internationale voorbeeld is van die tijd. Bij Vlerick is van bij de aanvang het stilleven nog verstild. De elementen die binnen een dergelijke compositie naar het leven verwijzen (vruchten, huisgerei, etc…) zijn reeds in hoge mate geabstraheerd. Men heeft niet de indruk van onmiddellijke herkenning. De grenzen zijn zeer wazig, zodat men eerder met een vlakkenspel te maken krijgt dan met de realistische weergave van tot stilstand gebrachte objecten. Ook het dier dat vaak voorkomt in deze composities is nauwelijks herkenbaar: is het een paard of een stier? Het doet er niet toe. Het is een symbool voor intens leven of enkel een vorm, een vertikaliteit. Vlerick had een passie voor de stierengevechten. Die abstractie wordt nog beklemtoond door het kleurgebruik. Vaak overheersen kleuren die alledaagse voorwerpen niet hebben, purper bijvoorbeeld. Hier ligt de basis reeds voor zijn verdere abstrahering die bestaat uit de opbouw van vlakken gecombineerd met weinig afgelijnde organische elementen.

Eenzelfde proces kan men constateren bij de grafiek. Oorspronkelijk zijn de etsen zeer lineair, maar door de grote geraffineerdheid van de lijnvoering ontstaat reeds een vluchtige werking, een zweemeffect. Al vlug hoogt Vlerick zijn etsen op en slibben ze dicht tot een fors gekleurd vlakkenspel. Deze inkleuring met pastel die de figuratie verbergt tussen kleurvlakken en slingerplantaardigheden zal een constante blijven in het oeuvre van Vlerick. Zijn werken komen tot stand via een patchwork invulling. Het is een werkwijze die erin bestaat een figuur langzaamaan te bedekken tot wanneer er een mooi evenwicht is ontstaan tussen figuratie en abstractie. Vlerick past volledig in de existentiële filosofie van zijn tijd, die er vanuit gaat dat waarheid ontstaat in het spel van versluiering en ontsluiering.

De figuur is de Vrouw. Het thema van de vrouw staat ook in het oeuvre van Verdegem centraal. Bij deze laatste wordt echter (naast het portret) de melancholische vrouw in gebogen houding voorgesteld, vaak in rugaanzicht geschilderd. De hand wordt soms in een sierlijke pose gehouden. Bij Vlerick is het de liggende, rustende vrouw, die geniet van de sensualiteit. Haar hand ligt dan ook daar waar men die kan verwachten. Het grote verschil met Verdegem is echter de kleur. Hoewel hij ook veel met pastel heeft gewerkt, is Verdegem de meester van de vale kleuren, vlekmatig aangebracht, meestal op basis van gemengde technieken. Vlerick heeft hiervan afscheid genomen. Aanvankelijk met een zeer scherp koloriet dat hij later is gaan verbleken. Deze abstrahering van de kleur heeft ooit de grens van het wit bereikt (rond 1960). De nulgraad van het schilderen was echter vlug de voedingsbodem voor een nieuw palet van kleurrijke frivoliteit. Het is echter vooral de kleurigheid van Bonnard die Vlerick erg geïnspireerd heeft. Hij is zo tot een eigen kleurengamma gekomen van licht tintelende gelen, groenen, oranjes, met soms ook wat blauw. In een bepaalde periode zijn die kleuren ook wat wranger geworden, met overwegend rood. Vlerick heeft immers niet alleen de speelsheid van het heerlijke liefdesleven opgeroepen, maar is ook voortdurend begaan met de mystieke passies van vrouwen voor wie de liefde verboden was. Zijn titels lichten dat toe.

Vlerick is een schilder van de zintuiglijkheid. Niet de gedachte, maar de waargenomen dingen wil hij laten verschijnen. Hij wil de essentie van de objecten niet blootleggen, zoals het Vlaamse expressionisme, maar de sfeer rond de dingen vastleggen vanuit de overtuiging dat wat er rond gebeurt, bepalend is. Aldus is hij het expressionisme ontvlucht, of althans de vormgeving ervan. Men zou kunnen stellen dat Vlerick maar één schilderij gemaakt heeft. Steeds terugkerend op hetzelfde gegeven om het te verdiepen of, anders gezegd zijn beelden zouden in een vervolgreeks kunnen gezet worden. Aldus wordt zijn oeuvre een uitgestrekt omgevingskunstwerk. Vol beweging, een film, zou men kunnen zeggen. Zijn samenwerking met Raoul Servais voor de Brusselse “kunst in de Metro”, getuigt van deze gedachte. Zijn werken volgen elkaar op als sequensen. Werk na werk komt zo, als in het vertraagd vertonen van een landschapsdocumentaire (“Paysage au ralenti”), zijn vrouwenfiguur van tussen het polychrome gebladerte om vlug weer te verdwijnen. Onthullen – verhullen dat is de beweging die Eros ons oplegt.

Vlerick staat ver af van de overduidelijkheid van het expressionisme, van de scherpe aflijningen van het surrealisme, van het vierkant draaiende van het kubisme, van de koele rationaliteit van het conceptualisme. Hij is verwant aan de wazige blik op de wereld eigen aan de impressionistische wijze van waarnemen en registreren van de wereld. Het fauvisme is niet vreemd aan zijn wijze om felle kleuren elkaar te laten bevruchten. Met de lyrische abstracten heeft hij de durf gemeen om de compositie uit de hand te laten lopen. Van de animisten zet hij de liefde voor het intieme voort tot in de diepste diepte van dat begrip. Het is duidelijk: hij behoort tot een generatie van na ’45 die geen zin had om een te strakke stijllijn te volgen. (3)

2. G. Roque, Qu’est-ce que l’art abstrait?, Paris 2003, p. 264
3. J-P. Van Langenhove & J. Revis, “Retrospectieve, Pierre Vlerick”, Gent, 1995

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.