Walter Leblanc (1932-1986)

Ook Walter Leblanc kon genieten van enige internationale belangstelling. Zo nam hij o.a. deel aan de tentoonstelling “The responsive eye” in New York (1965). In België is hij vooral bekend van zijn actieve deelname aan G58. Dit is een groep jonge kunstenaars die tussen 1958 en 1963, eerst een jaar in het Middelheimkasteel en nadien in het Hessenhuis, een zeventiende-eeuws pakhuis, in Antwerpen tentoonstellingen organiseerde. Ze hadden oog voor het internationale gebeuren. Zo bijvoorbeeld in 1959 een tentoonstelling over kinetische kunst.

Het gehele oeuvre van Leblanc kan niet tot de op-art gerekend worden. Hoewel hij al van in 1951 abstracte composities maakte, bleef hij tegelijk nog een drietal jaar figuratief academisch werk schilderen. Nadien sloten zijn abstracten nauw aan bij de materiekunst. In zijn gemixte techniek werd immers al eens zand vermengd. Toch ging het hem niet om de materie an sich, maar om een weg die hij ingezet had naar versobering. Hierin is hij geslaagd met zijn reeks Twisted Strings. Monochrome vlakken, vaak enkel wit – weerkaatser van het licht – of zwart – dempen van het licht – worden bevolkt met zelfgevlochten stukjes koord. Deze worden volgens een bepaald en vrij eenvoudig ritme aangebracht. Hij sluit hiermee aan bij Zero, een beweging van Duitse kunstenaars die internationaal uitgebreid werd. Bedoeling was om met een nieuwe lei te beginnen, bevrijd van de ballast van te subjectieve kunst.

Hoewel zijn draaiende koordjes – al mag hier ook naar het muzikale van de twist-dans verwezen worden – reeds voor een wriemelend effect op de ogen zorgen, begint zijn zuivere op-art pas in 1960 met zijn reeks Torsions Mobilo – Static. Walter Leblanc heeft van de torsie of wentelvorm zijn formule gemaakt om zich zuiver picturaal of plastisch uit te drukken. ‘Plastisch’ mag men overigens in de dubbele betekenis gebruiken. De werken zijn beeldend, maar worden ook uitgevoerd in een soort plastiek (polyvinyl). De draaiende beweging is het gevolg van de draairichting, links of rechts, en van het aantal wentelingen die de lichtverdeling bepalen. Naast wit en zwart worden ook kleuren gebruikt.

Leblanc noemt zijn werk graag ‘anti-peinture’. Er is geen verband met bijvoorbeeld de antikunst van de dadaïsten. Het ‘anti’ neemt niet weg dat het als positief woord bedoeld is. Deze schilderkunst, die nauw aansluit bij de beeldhouwkunst, wil een alternatief zijn voor wat haar beoefenaars de ‘gewone’ schilderkunst noemen, nl. de verhalende en de expressieve. Ze wil geen middel zijn voor een bepaald doel, maar zuiver inspelen op de zintuigen.
Deze bewegende beweging is erin geslaagd om tot een soort neutrale kunst te komen tussen 1955 en 1965. Wat uiteraard niet weggenomen heeft dat na de zuivering ruimte geboden werd om op figuratieve wijze terug verhalen te vertellen. Sindsdien werd beweging geregeld gebruikt in de kunst.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.