Aspecten van de Belgische kunst: inleiding (II)

Een van verplichtingen waar men niet onderuit kan als men op de omslag van een boek ‘Deel I’ laat drukken is ook ‘Deel II’ te schrijven. Dat is bij deze gebeurd. Wie deel I niet gelezen heeft, geen nood want deel II laat zich perfect lezen zonder de kennis van deel I. Het is geen vervolgverhaal. Net zoals in deel I elk hoofdstuk op zich staat en apart leesbaar is, geldt dit ook voor de hoofdstukken in deel II. Het zijn boeken (net als deze website trouwens) die achterstevoren kunnen gelezen worden. Ik ben van mening dat men in de lessen kunstgeschiedenis van het heden naar Altamira moet gaan en niet andersom. In beide delen zit wel wat chronologie, maar die is niet van die aard dat deze opbouw nodig is voor een beter begrip. In beide boeken wordt gestart met kunststromingen die een aanvang genomen hebben of op zijn minst nog belangrijk waren na 1945 en telkens wordt die periode doorlopen tot aan de kunst van gisteren.

Toch nog even het opzet toelichten, want dat is bij het verschijnen van deel I niet altijd goed begrepen, zeker niet door de kunstenaars die niet aan bod kwamen. Dit is geen encyclopedisch werk! De afwezigheid in het boek en op deze website van kunstenaars die nochtans vertegenwoordigers zijn van een bepaalde stroming is ‘ongegrond’ en in vele gevallen toevallig of om praktische redenen. Ook al eens – ik beken – omdat ik hun werk onvoldoende ken om er iets zinnigs over te schrijven. Dit veronderstelt immers meer dan een oogopslag, nl. goed vertrouwd zijn met hun oeuvre, en zicht hebben op hun ontwikkeling.

De in dit boek en op deze site aanwezige kunstenaars zijn hiervan dan weer wel het gevolg. Ze werden verder gekozen omdat ze goede voorbeelden zijn van een bepaalde opvatting van kunst, doorgaans stroming genoemd, omdat de meeste visies gedeeld worden met andere kunstenaars die op een variante wijze gelijksoortig werk maken. De meest geciteerde gedachte bij de besprekingen van deel I was dat kunst weliswaar moeilijk is om te maken, maar dat ze niet langer moeilijk mag blijven om te begrijpen. Dit is ook de educatieve doelstelling van deel II. Kunst is een spel en daar kunnen de regels van geleerd worden.

Daar waar het modernisme moeilijk was omdat de basisregel van dit spel was nieuwe regels te creëren, is dit sinds ruim een kwart eeuw niet meer het geval aangezien er geen nieuwe regels meer bijkomen, vermits er enkel op een nieuwe wijze met de regels gespeeld wordt. Om misverstanden over het ‘speelse’ in deze bewoording te vermijden, benadruk ik hier dat het spel me het belangrijkste principe lijkt van het leven. Nietzsche indachtig. De regels zijn dus leerbaar zoals een taal. Niet zonder moeite, maar geen onbegonnen werk. Boeren kunnen het weer voorspellen als geen ander. Soms beter dan de meteorologen. Door het lezen van een aantal tekens in de natuur weten ze of het goed of slecht weer wordt, we droogte of regen krijgen, het windstil blijft of stormachtig wordt. Velen willen een beetje van die zintuiglijke kennis bezitten. Anderen geloven steevast in de weerpraatjes. Hetzelfde gaat op voor kunst. Kunstwerken zijn cultuurtekens. Men kan ze lezen als een barometer van de maatschappij. Ook hier is de zintuiglijke ervaring de basis. Elk hoofdstuk handelt over een stroming, of een onderdeel ervan. Er wordt altijd begonnen met een internationale situering waarbij vooral de voorlopers aan bod komen.

Dit maakt dat er in het boek ook veel te lezen staat over de kunst van vóór De Oorlog. Er is nadien veel veranderd, maar vele wortels ervan situeren zich vóór 1945. Vaak wordt een stroming zelfs met ‘neo-’ of ‘post-’ aangeduid omdat ze een herneming is van een kunstopvatting die in het modernisme van de jaren tien en twintig van vorige eeuw reeds een eerste bloei heeft gekend. Na de bronnen wordt de stroming zelf toegelicht op basis van historische gegevens en filosofische achtergronden, al eens aangevuld met uitspraken van de kunstenaars zelf. Soms gaat een hoofdstuk over een techniek (grafiek en brons in deel I, keramiek in deel II) of over een thema (kunst en wetenschap in deel I, kunst en feminisme in deel II). Elk hoofdstuk wordt afgesloten met de bespreking van een of meerdere kunstenaars. Belgische, vanuit de overtuiging dat er in België goede kunstenaars werkzaam zijn. Ik heb niet altijd voor de meest evidente namen gekozen. Ik verkoos al eens een minder succesrijk voorbeeld, vanuit de mening dat er veel onderschatte kunstenaars zijn in België.

Sinds de jaren tachtig is succes overigens commercieel manipuleerbaar zoals voor om het even welk product. Het is natuurlijk niet allemaal marketing. Ook de succesrijken komen aan bod. Een van de redenen waarom hedendaagse kunst als moeilijk begrijpbaar overkomt is dat o.a. de kunstcritici hieraan medeplichtig zijn. Daar waar het hun taak zou kunnen zijn het werk toe te lichten, helpen ze doorgaans aan de verduistering ervan. Moeilijk taalgebruik heeft hetzelfde effect als Latijn spreken tijdens de zondagsmis. Het bevordert het geloof. Daar waar Latijn spreken vrij moeilijk is, is dat niet het geval met het kunstkritische jargon. Ik gebruik het zelf graag. Mystificeren en bijdragen aan het misverstaan is plezierig. Maar daar bestaan catalogi of gespecialiseerde magazines voor. In dit boek heb ik gepoogd dit niet te doen en zo eenvoudig mogelijk te schrijven. Met één uitzondering. Het hoofdstuk over de criteria nieuw en schoon is niet gemakkelijk. Vandaar dat ik het als epiloog achteraan heb gezet. Terwijl het in feite naar analogie met deel I (De regels van de kunst) als een soort inleiding had kunnen dienen, maar een oprit van een autosnelweg mag geen kronkelpad zijn met veel te korte bochten. Het is duidelijk dat ik hier de educatieve kaart trek. Toch zijn deze boeken niet gevuld met bij elkaar gerakelde lesvoorbereidingen. Uiteraard wordt de basisinformatie van de besproken kunststromingen nog eens op een rijtje gezet. Voor de ene een opfrissing, voor de andere een inleiding. Maar in grote mate wordt een visie vertolkt die gerijpt is door een levenslange ervaring met de kunstwereld, als kunstcriticus, als tentoonstellingsmaker, als lesgever, als commissielid van advies- of bestuursorganen verbonden aan het cultuur- en onderwijsbeleid en als kunsttheoreticus, nl. vanuit de kunstfilosofie.

Dit alles heeft geleid tot een eigen kijk op het kunstgebeuren na 1945. Met als gevolg dat ik bijvoorbeeld voorstel om een nog onbenoemde stroming in de recente schilderkunst de naam ‘neosymbolisme’ mee te geven (zie hoofdstuk 8). Maar niet enkel het zuiver artistieke komt aan bod. Ook de maatschappelijke relevantie van de kunst wordt verwoord. Als ik het woord ‘kunsteducatie’ laat vallen, dan bedoel ik niet dat aangeleerd moet worden welk kunstwerk bij het dressoir en de gordijnen past, maar wel hoe de hedendaagse kunst een maatschappelijke rol te vervullen heeft. Het boek heeft nog een andere eigenzinnigheid. Het situeert het kunstgebeuren vanuit een internationaal perspectief en het geeft verslag van hoe het in België verlopen is. Dat zijn feitelijke gegevens. Deze informatie wordt aangevuld met wat men oefeningen in de interpretatie zou kunnen noemen. Het is de neerslag van mijn kijken naar en begrijpen van die betreffende kunstenaars. Het zijn geen waarheden die als etiketten aan waren vasthangen of als gebruiksaanwijzingen producten vergezellen. Het zijn voorbeelden van interpretaties. Wegen die ik bewandeld heb om die kunstwerken en daardoor in enige mate hun makers beter te leren zien. Boeiend is dat dit schrijven niet het gevolg is maar de oorsprong van dit beter begrijpen. Eens er één weg getoond is, staan andere paden open voor eigen interpretatie.

Hoewel taal en beeld nooit samenvallen, laten ze elkaar ook nooit los. De taal produceert mee de betekenissen die het open teken, dat het kunstwerk is, aanbiedt aan wie wil interpreteren. De teksten over de kunstenaars zijn proeven van nu eens meer hermeneutische dan weer eerder semiotische benaderingen. De hermeneutiek is de leer van de interpretatie waarbij iets, een tekst of een kunstwerk, beter begrepen wordt naarmate men er andere teksten bijhaalt die de interpretatie kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld biografische gegevens of inspirerende boeken. Men kan christelijke kunst niet begrijpen zonder de Bijbeltekst. Dat is een schoolvoorbeeld van hermeneutiek. De semiotiek, de leer van de tekens, legt het tekenkarakter van de cultuur bloot, en houdt rekening met de mate waarin de vorm van iets meespreekt wanneer men tot een interpretatie komt. Verder bordurend op het voorbeeld dat ik gaf voor de hermeneutiek, zou men kunnen zeggen dat zelfs iemand die de Bijbel niet kent en evenmin vertrouwd is met het verhaal van de christelijke godsdienst via andere wegen, wel ziet dat er met de afgebeelde Christus iets aan de hand is. Die doornenkroon is geen bolhoedje, geen gebruikelijk hoofddeksel uit een bepaalde cultuur. De bolhoed is zelf ook een mooi voorbeeld.

Na Magritte kan men in de beeldcultuur geen bolhoed meer te voorschijn halen zonder Magritte er bij te denken. Zeker in het gezelschap van een pijp. Het is duidelijk dat de semiotiek een oneindig proces van betekenisproductie bestudeert, een niet vlot vlottend vlot van metaforen. Het verst geraakt men met een mengeling van de hermeneutiek, die toch een grote heimwee naar de waarheid blijft koesteren, en de semiotiek, die, zoals Umberto Eco stelde, alle middelen bestudeert waarmee men kan liegen. Men zou kunnen zeggen dat de hermeneutiek hoofdzakelijk op zoek is om de ‘denotatieve’ betekenis vast te leggen, d.w.z. de algemene betekenis zoals die in een tekst, een kunstwerk of een gesprek langzaam naar voor komt op basis van de gewone woordenboekbetekenissen waarvoor men onderzoekt hoe ze zinvol gebruikt werden om een bepaalde gedachte uit te drukken. De semiotiek brengt ons dan bij de ‘connotatieve’ betekenissen, d.w.z. de bijzondere bijbetekenissen die een tekst of kunstwerk via zijn specifieke vorm, of een gesprek via de retoriek, kan verkrijgen en die vaak het gewone gebruik ondermijnt of tegenspraken blootlegt. Dit proces is oneindig. De eerste methode strijkt de plooien glad. De tweede is precies geïnteresseerd in de oneffenheden van de plooi. Het woord ‘ezelsoor’ is een prachtig voorbeeld van dit laatste.

Niet het oor van de ezel, maar de kreuk in het schoolschriftje van de leerling, een teken dat aangeeft dat hij dom is. Het spreekt voor zich dat in de moderne en hedendaagse kunst men verder komt met de tweede benadering omdat deze niet meer zo geïnteresseerd is in algemene, collectief gedragen betekenissen, maar eerder in individueel uitzonderlijke. Hiervoor verwijs ik graag naar de epiloog in dit boek. Hoe dan ook, welke benadering ook de weg is geweest voor mijn interpretaties, dit neemt niet weg dat de lezer er zijn eigen interpretatie mag of zelfs moet op nahouden. Dat is ook een van de redenen waarom hedendaagse kunst gemakkelijk is. Er zijn geen verkeerde interpretaties. Sommige interpretaties zijn boeiender dan andere en er bestaan ronduit oninteressante interpretaties. Maar het juistheidsgehalte speelt geen rol. Het is een kermis waarin iedereen altijd prijs heeft. Kan het gemakkelijker? Alhoewel, het kunstjargon heeft hiervoor vrij snel een moeilijk woord bedacht: de poly-interpretabiliteit van de kunst! Het betekent gewoon dat een kunstwerk een open teken is waaraan de toeschouwer een eigen invulling moet geven. Hoe interessanter de toeschouwer, hoe boeiender het kunstwerk. Gaande dus van een koe die naar een piano kijkt tot een diepzinnig traktaat.

Deel I kreeg ook twee terechte kritieken. De eerste was dat om ‘Belgische’ in de titel te gebruiken er te weinig Franstalige kunstenaars aan bod komen. Ik heb gepoogd dit nu recht te zetten. Zonder moeite, want ook Wallonië kent veel interessante kunstenaars. Daarenboven verschijnen beide delen, naast het Engels, nu ook in het Frans. Een tweede kritiek was dat er te weinig vrouwelijke kunstenaars besproken werden. Hieraan heb ik getracht te verhelpen door een apart hoofdstuk te maken over ‘Feminisme en kunst’, wat nog veel te weinig is om de achterstelling van vrouwelijke kunstenaars goed te maken. Ik ken nu al een terechte kritiek op deel II, nl. dat ik er niet in geslaagd ben alle aspecten van de Belgische kunst na ’45 te behandelen. Het woord ‘aspecten’ houdt natuurlijk in dat het vloekt in combinatie met het woord ‘alle’. De invalshoeken zijn sowieso oneindig als het de kunst betreft. Maar er zijn simpelweg nog een aantal stromingen (en eraan verbonden kunstenaars) die niet aan bod gekomen zijn. Zelfs in die mate dat er zeker genoeg stof is voor een derde deel. En dat zal dan ook gebeuren.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.