De Belgische grafiek traditie

Kopergravure en ets, in de zeventiende eeuw uitgegroeid tot volwaardige artistieke technieken (een prachtig voorbeeld hiervan is Rembrandt), waren in de 18de en negentiende eeuw steeds meer tot een loutere illustratie- en reproductietechniek verworden, en als dusdanig zelfs, vanaf het tweede kwart van negentiende eeuw, door de staalgravure vervangen die hogere oplagen mogelijk maakte. Maar reeds kort daarop kwam een hele tegenbeweging op gang om vooral de etskunst te revaloriseren, terwijl de kopergravures alsnog in de reproductieve ambachtelijke sfeer aan het werk bleven.

De lithografie werd in de negentiende eeuw vooral als affiche gebruikt. Door zich tijdig als volwaardig artistiek expressiemiddel te affirmeren, had de ets dan ook in de tweede helft van de negentiende eeuw weinig of niet te lijden van de opkomst van de fotografie, die wel de koper- en de staalgravure als reproductietechniek wist te verdringen. In ons land (2) waren Félicien Rops (1833-1989) en na hem James Ensor (1860-1949) en Armand Rassenfosse (1862-1934) de eersten om de ets opnieuw als een zelfstandig artistiek medium te gaan gebruiken. Niet te vergeten namen van de generatie nadien zijn: Jules De Bruycker (1870-1945) en Jos Verdegem (1897-1957) in Gent, Floris Jespers (1889-1965), Joris Minne (1897-1987) en Jos Hendrickx (1906-1971) in Antwerpen.

Ook een Frans Masereel (1889-1972) behoorde tot deze generatie, maar hij was vooral houtsnijder. In de jaren vijftig en vooral in de jaren zestig-zeventig hebben zeefdruk en offset- of fotolithografie, met hun enorme multiplicatiemogelijkheid de macht veroverd. Al is die op een bepaald ogenblik ook een gebrek gebleken. Hoewel ze voor de democratisering moesten zorgen, bleek niet iedereen geïnteresseerd in de democratische kunst. Toch zijn het deze technieken die als de eerste “nieuwe media” in de grafische kunsten moeten bekeken worden. Ze zijn onlosmakelijk verbonden met de avant-garde stroming die de pop-art toen was met Andy Warhol als grote beoefenaar.

De Vlaamse variant, de nieuwe figuratie, heeft ook gretig gebruik gemaakt van de zeefdruk. Aan de Gentse Academie zetten Pierre Vlerick en Willy Van Driel de offset-litho’s op punt. Deze vernieuwing is geen puur technisch probleem. Naarmate men anders over kunst denkt, een nieuwe kunststroming dus, gaat men ook anders met grafiek om. Met enige vindingrijkheid blijkt het grafische medium zich ook te lenen voor o.a. de conceptuele kunst, het environment en zelfs de happening. Dit neemt niet weg dat ook de oude traditie van de grafische kunst levendig is gebleven. Sommigen beperken zich tot het perfectionerend spelen met techniek. Dergelijk grafisch atletisme brengt soms weinig boeiende prenten voort.

Enkelen gingen zich specialiseren in Praag, het Mekka van de grafiek. Sommigen onder hen brachten niet alleen een technische vervolmaking mee terug, maar ook de Oost-Europese beeldfantasie. De Tsjech Rudolf Broulim was één van de belangrijkste instructeurs van wie velen iets konden opsteken. Hij emigreerde naar België met een eigen drukatelier en werkt samen met vele Belgische kunstenaars. We gaan hier verder in op een paar kunstenaars die via de grafische kunst vernieuwende beelden hebben gemaakt: Enk De Kramer via etsen en Ingrid Ledent met de lithografie. Ze behoren tot de kunstenaars die in eerste instantie plastisch denken en die daarvoor het medium grafiek kiezen om de specifieke kwaliteiten verbonden aan dat procédé. Het typische van grafische kunst lijkt me (a) een zeer grote aandacht voor de materiële kenmerken van de metaalplaat, de steen of het houtblok, die andere sporen nalaten dan de borstel; (b) een grote zorg voor de drager (o.a. bijzondere papiersoorten); en (c) het feit dat er eigenlijk twee dragers zijn: Het beeld wordt eerst op een drager gemaakt die niet als kunstwerk beschouwd wordt en dan op een “echte” drager gedrukt. Dit heeft uiteraard verstrekkende gevolgen. Het impliceert immers dat er een toevalsaspect binnensluipt tussen maaksel en druksel. Daarenboven is een originele print altijd een “kopie”. Dit biedt overigens kansen tot conceptuele experimenten, tevens verbonden aan herhaalbaarheid, serialiteit, citeerbaarheid, reproductiviteit; kortom, allemaal begrippen die door het specifieke van de grafische techniek bespreekbaar worden.

2) P. Huys & W. Elias, Enk De Kramer, Beeld/Spraak nr.2, Willemsfonds, Gent, 1986. 

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.