Peter De Graeve – Universiteit Antwerpen

In het eerste deel van Aspecten van de Belgische kunst werden enkele ‘regels van de kunst’ opgesteld, die samen een onontbeerlijke context vormen voor het begrijpen van hedendaagse kunst. Het zijn achtereenvolgens: de openheid van de betekenis, de actieve rol van de toeschouwer, de extreme vrijheid van de kunstenaar, de autonomie van de kunst als zingevend proces en, ten slotte, het cruciale gegeven dat een kunstwerk interessanter wordt (zou moeten worden) naarmate men er meer van weet.

Deze normen van de moderne esthetica bieden meteen ook een inzicht in de waarden van de filosoof Willem Elias, die ze formuleerde. De eerste norm, die de openheid van de betekenis vooropstelt, toont aan hoezeer Willem Elias begaan is met het hedendaagse artistieke spel, in al zijn aspecten. De openheid van betekenis is een zogenaamd ‘semiotische’ waarde, die verwijst naar de filosofie van het structuralisme. In deze filosofie is Willem Elias als het ware grootgebracht. Hij was leerling van één van de belangrijkste Franse semiotici, Roland Barthes, die het denken over betekenis letterlijk en figuurlijk open gooide. Dat de betekenis door intellectuelen als Barthes open werd verklaard, heeft alles te maken met de doorbraak van een radicaal relativisme, zowel in de natuur- als in de menswetenschappen, in het begin van de 20ste eeuw. Er bestaan geen voor eeuwig en altijd vastgelegde waarden – of ‘Ideeën’, om het met Plato te zeggen. Waarden zijn tijdelijke, bijzonder veranderlijke, vergankelijke, fenomenen: het louter observeren ervan volstaat in sommige gevallen om ze ingrijpend te veranderen, zoals een bekende wet uit de kwantummechanica luidt. Dit inzicht heeft niet alleen de filosofie maar ook – en vooral – de kunst van de twintigste eeuw fundamenteel veranderd. Wat kunstenaars in een gegeven tijdperk verwezenlijken, beïnvloedt niet alleen de kunstproductie van een volgende generatie; het is ook van aard om de toeschouwers op een totaal andere manier naar de kunst te doen kijken. Een waarde als de ‘openheid van betekenis’ vooropstellen kun je dus alleen indien je het besef – en de bereidheid – hebt, te leven in een beweeglijke wereld. Van die openheid vervolgens de artistieke dimensie benadrukken, kun je alleen indien je erop vertrouwt dat inventiviteit en speelsheid de meest menselijke uitdrukking vormen van de onontkoombare wisselvalligheid van het bestaan. Zo iemand is Willem Elias.

Maar speelsheid en creativiteit komen niet voor niets (of: zijn zelf evenmin ‘vooraf gegeven’). De overige ‘regels van de kunst’ die Willem Elias heeft geïntroduceerd vormen bij wijze van spreken een waarschuwing tegen een al te gemakzuchtig herleiden van de kunst tot een ‘eindeloos spel’ van smaak en mode. Door te beklemtonen dat de toeschouwer, enerzijds, in de hedendaagse kunst een actieve rol speelt, en dat de kunstenaar, anderzijds, in zijn creativiteit extreem vrij is, wijst Willem Elias meteen de grenzen aan, of de obstakels, waarmee speelsheid en openheid vandaag te maken hebben. Dit is om te beginnen een grens in de tijd. De actieve rol van de toeschouwer werd voor het eerst geformuleerd in 18de eeuw. Diderot bijvoorbeeld wees er, in zijn rol als kunstcriticus, op dat het normeren, waarderen en taxeren van kunstwerken tot het hart van de kunstbeoefening behoort. Kort daarop nam Kant de idee van de actieve toeschouwer van hem over, en maakte ervan de hoeksteen van zijn esthetica. Met andere woorden, de openheid van betekenis is een onvervalst verlichtingsideaal dat vrij snel in de esthetica werd ingelijfd. Het is een ideaal dat de autonomie, de vrijheid, van de mens proclameert. Maar met individuele vrijheid komt verantwoordelijkheid. Speelsheid en inventiviteit zijn allesbehalve vrijblijvend. Ze veronderstellen een vaak moeizaam proces van beslissen, van keuzes maken. Ook dat is de kunst: leren selecteren, in de wisselvalligheid van het bestaan het anker van de keuze uitwerpen. Het opmerkelijke pleidooi dat Willem Elias recentelijk nog hield voor het ‘elitaire’ van de kunst en de kunstbeleving moet in die zin begrepen worden: “Er is langs de ene kant de wereld van de kunstenaar, die moet elitair zijn. Dit wil etymologisch zeggen uitgelezen, gespecialiseerd, uitgekozen, alles geven om het beste van het beste te brengen. Het aantal mensen dat er toegang toe krijgt zal automatisch verminderen.”

De actieve rol van de toeschouwer en de extreme vrijheid van de kunstenaar zijn twee recente fenomenen, die haast automatisch leiden tot de volgende ‘regel van de kunst’: de autonomie van de kunst als zingevend proces. Dit heeft geleid tot de rijkdom van de hedendaagse kunst, zoals we haar vandaag kennen: ongebonden, internationaal, eigenwijs. Deze rijkdom werd, toegepast op de Belgische kunst, reeds in deel 1 van dit werk op een veelzijdige manier geïllustreerd. De Belgische kunst werd er binnen de evolutie van de internationale kunstscène gesitueerd, die als het ware de buitenste ring vormt van Elias’ kunstfilosofie. De doorbraak van moderne kunstenaars als Braque, Picasso, Duchamp, Kandinsky, Mondriaan, Bacon, Pollock, Sherman, werd telkens gebruikt als leidraad voor de beschrijving van de eigenzinnige geschiedenis van de hedendaagse kunst, waarin autonomie en speelsheid centraal staan. Verschuivingen en overlappingen binnen de internationale context vormen het klankbord voor de presentatie van de Belgische kunst, een volgende ring. De Belgische kunst volgde doorgaans de internationale trends, maar liep er in sommige gevallen wel degelijk op vooruit. Binnen deze Belgische context ligt de klemtoon ten slotte vaak op de eigenheid van de hedendaagse Vlaamse kunstwereld, de laatste ring – waarbinnen niet zelden nog eens nauwgezet een specifiek Gentse, Antwerpse of Brusselse invloed wordt onderscheiden. Dit intelligente gebruik van in elkaar schuivende ringen heeft ervoor gezorgd dat dit boek zowel kenners, liefhebbers als leken kon bekoren. Een niet geringe prestatie. Tegelijk heeft het er de auteur voor behoed het slachtoffer te worden van de afgebakende periode (‘na ‘45’). Het spreekt immers vanzelf dat kunststromingen niet beginnen of eindigen op een gestelde datum. Door de Belgische kunst enerzijds in een brede filosofische en internationale context in te bedden en haar anderzijds te laten uitmonden in enkele locale artistieke tradities, wist Willem Elias probleemloos het gekozen chronologische beginsel vanuit een bredere historische of thematische achtergrond toe te lichten. Deel 2 van dit fascinerende werk bouwt verder aan het fijnmazige netwerk van deze door elkaar lopende esthetische ringen en artistieke kringen…

De laatste ‘regel van de kunst’ luidt, dat een kunstwerk interessanter wordt naarmate men er méér van weet. Deel 1 van dit overzicht van de hedendaagse Belgische kunst opende met een stelling die klinkt als een provocatie, maar in feite een geruststelling inhoudt: ‘Hedendaagse kunst is gemakkelijk, niet om te maken, maar om te begrijpen.’ De uitspraak staat inderdaad haaks op de cultuur van de onbegrijpelijkheid, waarin de kunst geacht wordt zich sedert het modernisme te hebben ingegraven. Die cultivering van het onbegrip vormt de door sommigen zo verguisde ‘ironie’ waarmee de huidige kunstenaar ieder politiek, sociaal of zelfs artistiek engagement ontwijkt. Maar dit beeld van de kunstenaar als marginaal, die de wereld de rug toekeert, wordt door Willem Elias fijntjes omgekeerd. Waarom zou de toeschouwer niet even wispelturig en eigengereid zijn? Hoe vaak is het niet de kunstliefhebber die, onder het voorwendsel ‘er niets van te snappen’, van het kunstwerk weg wandelt, zonder zich om de regels van het spel te bekommeren? Het eigenaardige is veeleer dat wij van een kunstwerk eisen dat het ons terstond een helder (en liefst ook ‘mooi’) beeld geeft, niet alleen van wat het zelf betekent, maar ook van de zingeving die het voor ons in petto houdt. Welnu, stelt Elias, ‘iedereen vindt het normaal zes jaar lang twee maal per week drie uur les te volgen om een vreemde taal te leren. Niemand is verwonderd een sport niet te begrijpen, wanneer hij de spelregels niet kent. Waarom zou men de taal en de spelregels van kunst dan onmiddellijk moeten begrijpen zonder enig leerproces? Mijn bewering is dat ze gemakkelijk te leren vallen.’

Willem Elias weegt zorgvuldig af op welke grond kunstwerken thuishoren bij een bepaalde historische of esthetische context. Maar tegelijk toont hij aan hoe ze deze door hun intrinsieke kwaliteiten of hun eigenzinnigheid weer overstijgen. Bekende namen worden op originele wijze onderzocht, met aandacht voor hun individualisme en particulariteit, terwijl kunstenaars die (vooralsnog) onbekenden zijn voor het grote publiek genuanceerd worden voorgesteld. Maar wat altijd in het oog springt is het plezier waarmee de auteur de lezer laat meegenieten van zijn manier van kijken. Het geduld, de passie, de zorg en de finesse van het kijken, het doortastende ervan… Het is fascinerend te zien hoe Willem Elias kijkt naar kunst en kijkt naar het kijken naar kunst: hoe hij inspeelt op bestaande theorieën over de ‘omgang met kunst’, hoe hij deze afbakent, soms afwijst, dan weer met eigen inzichten aanvult. Willem Elias schrikt er niet voor terug om een kunstenaar met stelligheid te typeren. Maar tegelijk is hij een filosoof die voortdurend relativeert, nuanceert, herwaardeert – om het met Nietzsche te zeggen. Hij beschrijft en plaatst de kunstenaars en hun kunst in een context – het realisme van de semioticus. Maar vooral: hij schrijft – en schrijft met stijl. Willem Elias is een stilist: hij schaaft en vijlt, probeert woorden en begrippen op de wereld uit, experimenteert met taal. De filosoof als woordkunstenaar… Aspecten van de Belgische kunst na ‘45 blijft, zeker met het verschijnen van dit tweede deel, een veelzijdig, rijk en genereus boek, waarin het levenswerk en de levenskunst van een van Vlaanderens belangrijkste kunstfilosofen hun weerslag hebben gevonden. Een voor deze tijd zeldzaam positieve boodschap over de kracht van de hedendaagse kunst wordt erin uitgesproken. Inderdaad, een kunstwerk wordt interessanter, zoals de auteur zegt, naarmate men er meer van weet. Maar er is wel degelijk meer aan de hand: het kunstwerk krijgt hierdoor de kans om geliefd te worden. Dit boek gaat dus wezenlijk – of heimelijk – over een kunst die velen onder ons al uitgestorven waanden: de kunst om uit het niets voorliefdes op te wekken.