Schone lelijkheid en vuil realisme

Schone lelijkheid (1)

Is er iets moeilijkers dan zijn ogen niet geloven? “Elk zijn waarheid” is een gedachte waarmee te leven valt. Desalniettemin worden er nog voldoende oorlogen om gevoerd. De ervaring dat wat we mooi of lelijk vinden niet “juist” zou zijn is echter ondraaglijk. “Over de smaken valt niet te twisten”, maar toch heeft deze zin uit een brief van Horatius niet belet dat dit tot op vandaag in hoge mate discussiestof is gebleven voor tafelgesprekken. Het is overigens interessant om op te merken dat vanaf de moderne kunst gebroken wordt met de opvatting dat er een verband zou zijn tussen goede kunst en goede smaak. Baudelaire was zowat de eerste om daar eind van de negentiende eeuw op te wijzen. Dit in tegenstelling tot de achttiende eeuw waarin de smaak de kern was van de kunstkritiek. Zelfs in die mate dat Shakespeare in die tijd niet toegelaten was aan de Europese hoven, omdat zijn teksten niet bepaald getuigden van goede smaak.

Wie vandaag de vestimentaire verschijning van de kunstcritici gade slaat, ziet vlug dat er ook nu geen verband is tussen goede smaak en de kennis over wat kwaliteitsvolle kunst is. Smaak is inderdaad het geheel van regels die de verhouding bepalen tussen de gebruiksvoorwerpen in de ruimste zin van het woord: kledij, interieur, vervoer, tuin, enz. Daarbij wordt rekening gehouden met wat bij wat past en met de toegelaten hoeveelheid van elk. Deze regels veranderen met de tijd en zijn verschillend al naargelang de plaats. In een Chinees restaurant gelden andere normen dan in een Franse brasserie. Doorgaans valt er ook een link te leggen met de sociale klasse waarin bepaalde regels heersen. Smaak die goed is, is dat dus enkel voor een bepaalde groep. Twee groepen kunnen goede smaak hebben en elkaar wederzijds verwijten geen of slechte smaak te hebben. Het woord “kitsch” wordt veel gebruikt om de afkeur van een andere smaak uit te drukken.

Vanaf de moderne kunst is men afgestapt van het schoonheidsideaal. Tot in het midden van de negentiende eeuw geloofde men in het bestaan ervan. Schatplichtig aan Plato was men overtuigd dat er los van de zintuiglijke ervaring ergens het model van de perfecte schoonheid bestond. De academies, niet voor niets dezelfde naam als de school waar Plato les gaf, waren de plaatsen waar dat ideaal nagestreefd en doorgegeven werd. De moderne kunst heeft gebroken met deze opvatting en wordt dan ook wel eens de “niet-meer-schone kunst” genoemd. Al wat onder de avant-garde valt, is inderdaad meestal een inbreuk op onze kijkgewoonten, verbonden aan onze smaak. Eens men die nieuwe kijk gewoon geraakt, gaat die kunst ook weer mooi worden. Er is dus niet één schoonheidscriterium, maar vele. De taak van de kunst was niet langer de schoonheid te tonen, maar haar te bevragen door alternatieven voor te stellen. Doordat dit verbonden was aan bepaalde nieuwe criteria, de zogenaamde “code”, werd het in feite toch weer een nieuwe schoonheid met eigen normen. Het is precies tegen dit uiteindelijk toch weer “schoon” geworden zijn van de modernistische kunst dat sommige postmodernistische kunstenaars hebben gereageerd.

Vuil realisme

In het begin van de jaren tachtig kreeg dit de vorm van een herleving van het expressionisme. Binnen dit expressionisme is er een stroming die haar uitdrukkingskracht gezocht heeft in een gewilde, anders zou het uiteraard geen kunst zijn, in de hand gehouden slordigheid. Deze onderafdeling kreeg zelfs de naam “Ugly Realists” mee. Vanuit de losse pols werden vaak schetsmatige beelden gemaakt. Hier en daar druipt de verf in lijntjes naar omlaag. Gewild maar weliswaar door de zwaartekracht geleid. In België is Walter Swennen (1946) hiervan een goed voorbeeld. Dit soort schilderkunst van het begin van de jaren tachtig zette vooral een vrolijke toon op. Het waren uitingen van wat men al eens de “schildersdrift” noemde.

Naar de jaren negentig toe wordt de schilderkunst minder vrolijk. De vraag naar de spanning schoonheid-lelijkheid wordt grimmiger gesteld. Ze wordt immers meer bekeken vanuit een maatschappelijke probleemstelling, overigens een kenmerk van dat decennium. De hogergenoemde Sigmar Polke heeft in zijn werk deze evolutie meegevolgd. In België is Werner Mannaers een goed voorbeeld van deze relatie met de schilderkunst.

1) M. Gagnebin, Fascination de la Laideur, Lausanne,1978

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.