Schoonheid

Wie het over schoonheid heeft, neemt al vlug het woord ‘schoonheidsideaal’ in de mond. Door de combinatie met ‘ideaal’ wordt duidelijk dat er geen eeuwige universele schoonheid ‘bestaat’, maar dat ze afhankelijk is van modellen die op verschillende plaatsen en tijden ingang en ook uitgang gevonden hebben. Wie deze verscheidenheid wil zien en begrijpen, leest best het buitengewone boek van Umberto Eco. Men is dan onmiddellijk overtuigd van de diversiteit aan vormen die met het adjectief ‘schoon’ bedacht kunnen worden. Het is hier niet de bedoeling een bespreking te geven van dit andermaal merkwaardige boek van deze geniale auteur. Wel wil ik argumenteren dat, hoewel we van de zintuiglijke ervaring van schoonheid kunnen genieten, overigens niet los te koppelen van onze kennis van wat onze cultuur ons oplegt mooi te vinden, ze niet ‘bestaat’ als buitenzintuiglijk criterium. Als men het begrip ‘schoonheidsideaal’ als een meervoudig begrip opvat is het zeer bruikbaar. Dus niet als een waardestelsel buiten de mens en evenmin als een fysiologisch feit, maar als cultureel gevormde en te vormen modellen. Schoonheid is dan afhankelijk van de mate waarin de vorm het model confirmeert. Dit is echter te mooi om waar te zijn. In onze westerse cultuur bijvoorbeeld, zijn we gefascineerd door de grens, de mogelijkheid om het model te bevragen. De confirmatie van het model, wordt dus al dan niet aangevuld door de negatie ervan. ‘Complementaire negatie’ lijkt me een goede formulering voor het verschijnsel dat een vorm aandacht vraagt voor zijn volgzaamheid aan het model via een aangebrachte relativering. Deze negatie gaat nooit zover om het model zelf te ondermijnen, want dan zitten we in een ander schoonheidsmodel. Schoonheid is dus een voorbeeld van het denken over de grens. Wanneer de perfectie dreigt bereikt te worden, wordt ze vervelend en heeft ze negatie nodig, binnen het model of via de overgang naar een ander model. Het is duidelijk: schoonheid is een dynamisch gegeven, zoals ook ons lichaam zelf dat is. ‘Schoonheid’ is een kwaliteit en we willen deze problematiek verder toelichten door stil te staan bij het concept ‘kwaliteit’, het heilige woord van deze tijd. Het woordenboek vertaalt de Latijnse oorsprong van ‘kwaliteit’, namelijk ‘qualitas’, eerst als ‘de relatieve hoedanigheid’. Men vergete zeker dit relativerende adjectief niet. Evenmin dat het niet over ‘wat’, de basisvraag van de filosofie, gaat maar over ‘hoe?’, het hoofdprobleem van de maker van iets. De vraag die moet gesteld worden is of de kwaliteit ‘schoonheid’ wel meer is dan een woord, of ze beantwoordt aan feitelijke gegevens op basis van bestaande criteria? Met andere woorden, is schoonheid een intrinsieke waarde? Hoe dan ook is het sinds lang niet meer de Schoonheid en de daaraan verbonden normen, zoals bijvoorbeeld harmonie, die het streefdoel zijn. Het bepalen van de kwaliteit is dus ook niet afhankelijk van schoonheidscriteria. Zelfs mocht men nog over schoonheidscriteria spreken, dan zou dat het probleem niet eens oplossen. Daarnaast geeft de psychologie ook genoeg inzichten om de ‘onschuld’ van de blik verloren te laten gaan. De sociologie van haar kant voegt er nog de maatschappelijke gebondenheid van elk kijken aan toe. Een kwaliteit, zoals schoonheid, kan men op drie wijzen lokaliseren. Er zou een objectieve intrinsieke waarde kunnen zijn, dat wil zeggen dat de waarde in het object zelf aanwezig is. Wanneer iemand deze niet ziet, scheelt er dus iets aan zijn waarnemingssysteem. Er is ook een subjectieve intrinsieke waarde. Dit zou betekenen dat het criterium in de waarnemer zelf zit. Wanneer de kwaliteit dan niet waargenomen wordt, scheelt er iets aan het object. Beide lokaliseringen zijn allicht voor elk object of situatie een illusie. De derde mogelijkheid, die me meer plausibel lijkt, is dat de waarde instrumenteel is, dat wil zeggen dat het criterium voor de kwaliteitswaarde bepaald wordt door de plaats die een vormgegeven product inneemt in de wereld van de kunst, met andere woorden het systeem van objecten en toestanden die vandaag tot de kunst gerekend worden. Deze situering kadert dus in de westerse of verwesterde culturele ruimte en wordt zowel diachronisch (doorheen de tijd) als synchronisch (gelijktijdig) beoordeeld. Men zou dit ook kunnen verruimen tot de ‘schone dingen’ binnen andere contexten, bijvoorbeeld de mode. Maar ook de natuur. Er wordt immers met een cultureel bepaalde blik naar de natuur gekeken. Een dergelijke consensus over de kwaliteit is fundamenteel relatief. Maar precies het fundamentele van deze relativiteit relativeert op zijn beurt deze relativiteit. Het is dus geen willekeur maar een relationeel systeem, dat wil zeggen een structuur waarin het ene element het andere bepaalt en betekenis geeft, met alle kenmerken eigen aan een structuur. Het fundament is dus relatief, dat wil zeggen niet gebaseerd op een natuurwet (de fysica of de biologie van de schoonheid; zie hoger: objectieve en subjectieve intrinsieke waarden), maar het systeem zelf is een van de vele als cultuur erkende relativiteiten.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.