Tegen de abstracte kunst

De geschiedenis van de pop-art en de geschiedenis van de conceptuele kunst zijn soms enigszins overlappend. Beide zijn het reacties tegen de abstracte kunst die te neutraal was geworden. Volgens de conceptuelen was ze te emotioneel, te veel verbonden aan de gevoelens van de kunstenaars en dus te weinig aan het denkvermogen. Volgens de pop-art te asociaal, een kunst die blijkbaar vergeten was wat de alledaagse cultuur van de mens is. De massacultuur wordt niet langer buiten de kunst gehouden. Gemeenschappelijke wortels zijn opnieuw te vinden in het dadaïsme en de readymades van Duchamp.

Maar toch is er een groot verschil. In de jaren tien van de twintigste eeuw ging het om dagelijkse voorwerpen als stoorzenders voor de burgerlijke kunstopvatting. Bij de pop-art was het te doen om een invraagstelling van het onderscheid tussen hoge cultuur en lage. Het surrealisme, ook kind van het dadaïsme, en als dusdanig een soort oudere zus van de conceptuele kunst, is hier ook haar rol blijven spelen. Het surrealisme vraagt zich af of de verbanden die we tussen de dingen zien wel de juiste zijn en of er geen andere, diepere relaties te bespeuren vallen. De onzichtbaarheid ervan maakt de verbanden boeiender. Dat is precies het gekke ervan.

De kunstenaar wordt hier tovenaar. Het door elkaar halen van massacultuur en hoge kunst is op zich een verbindingsruil. Het dagdagelijkse aantreffen als zondagse kunst is surrealisme van de zuiverste soort: Ceci n’est pas une pipe. Ook gewone dingen kunnen wonderbaarlijk zijn. De vroegste pop-art wordt doorgaans gesitueerd vanaf 1952 in Londen. Onafhankelijk daarvan, maar van latere datum (1956; de term zelf is van 1958) is er ook een Amerikaanse versie. In diezelfde periode ontstaat ook een Franse variant, die echter “Nouveau Réalisme” (1960) wordt genoemd. Maar er is ook een Duitse tegenhanger en die is hier meer van toepassing. In Düsseldorf (1963) ontwikkelden Gerhard Richter (1932) en Sigmar Polke (1941), beiden afkomstig uit Oost-Duitsland, het “kapitalistisch realisme”.

Het was op zich al een ironische reactie op het “socialistisch realisme”, de officiële staatskunst van het Oostblok, die de arbeid als hoofdwaarde verheerlijkt. Meer dan een knipoog is het vooral een kritiek op de Westerse consumptiemaatschappij en de kapitaalkrachtige machthebbers die er niet armer van worden. Deze Duitse vorm van de pop-art was maar een start, want Sigmar Polke wordt vooral geroemd als een postmodernistische schilder. Zijn werk geeft uiting aan het, aan deze cultuurstroming verbonden, pluralisme en het bewust kiezen voor de ongelijksoortigheid. Alle media zijn welkom. Het excentrieke kent geen grenzen. Tegenover de ernst van de hoge cultuur staat een kritische herwerking van de culturele verwezenlijking. Daarbij neemt hij als bronnenmateriaal de beelden van de massamedia en de film. Hij plukt echter ook uit de ganse cultuurgeschiedenis. Deze beelden worden doelbewust mismeesterd, ontaard uit hun oorspronkelijke rol. Dat maakt ze op een andere wijze zichtbaar. Zowel Twombly als Polke hebben een gevecht geleverd tegen de esthetische normen van de Westerse cultuur.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.