Typering van de nieuwe kunstenaar

Vanaf de jaren tachtig verschijnt een nieuw soort artiest op de kunstscène. Geboren in de jaren zestig verdienen ze de naam “jonge Turken” meer dan ooit. Ze zijn niet meer diegenen die afwachten welke galerist hen gaat uitnodigen en depressief naar de drank grijpen wanneer dit niet gebeurt. Ze nemen zelf initiatief om hun werk te promoten. Het gebied dat ze hiervoor beogen valt niet samen met de Belgische grens, zelfs niet met deze van de buurlanden, want “internationaal” kan niet ver genoeg zijn. Als er dan al een kunsthandelaar bij komt kijken, moet die zeer kapitaalkrachtig zijn om de gestelde doelstellingen te helpen bereiken.

Geen mondelinge afspraken, maar juridisch op punt gestelde contracten worden afgesloten. Ze regelen doorgaans hun zaken zelf met een eigen bureau of bedrijfje. Het zijn inderdaad kunstenaars met fax in de jaren tachtig, e-mail en website sinds de jaren negentig. Bijgestaan door minstens één secretaris, en vaak meerdere assistenten. Het werk eigenhandig maken is allerminst hun betrachting. Schetsmatige ontwerptekeningen volstaan. Voor de uitvoering zorgen anderen: werknemers in dienst of bedrijven in onderaanneming. Let wel, dit is geen onverschilligheid ten aanzien van de technische perfectie van de ambachtelijke uitvoering. Ze zijn zeer streng voor de realisatie. Daar waar Marcel Broodthaers al eens een slechte mossel in de pot durfde stoppen, betaalt Jan Fabre zijn leverancier niet wanneer iets mis is met de kleuren van de kevers.

Ze zijn zo veeleisend precies omdat ze niet gehinderd worden door enige kennis van het métier. Jan Vercruysse bijvoorbeeld, wou ooit in brons een onmogelijk te gieten perfecte ronde bol, voortgeduwd door een schildpad, op de Biënnale van Venetië laten zien. Vanuit die veilige afstandelijkheid ten aanzien van het ambachtelijke van hun beroep, verkleden ze zich dan ook niet zoals hun woeste voorgangers in fluwelen boerenbroeken, schrijnwerkersjasjes of overalls om hun handvaardigheid met een mythische dimensie bij te kleuren. Integendeel op vernissages dragen ze dezelfde pakken als hun verhoopt cliënteel uit de bedrijfswereld. Ze zijn zelf immers goede ondernemers, die de opdrachten noteren, ontwerpen, doen uitvoeren en laten leveren. Ze werken niet meer echt voor de huisruimte van de kleine particulier. Musea, privé- of overheidsopdrachtgevers zijn de afnemers. De liefhebbende collectioneur moet het met souvenirs van het kunstwerk stellen zoals een kruk vol kevers. De Cloaca van Delvoye is grote kunst.

Dit geldt niet voor het resultaat ervan, verkocht aan 1000 euro per stuk.  Hun concepten zijn vaak geniaal, maar de realisaties vertonen kenmerken van het label of de merknaam van elk commercieel product. De herkenbaarheid moet hoog blijven en dit kan best door herhaling: series van hetzelfde, afgewisseld door variaties van het gelijkaardige. De herkenbaarheid verhoogt de verkoopbaarheid, maar enigszins paradoxaal ook de sociale relevantie. Het lijkt wel of de kunst zich opnieuw aan het integreren is in de maatschappij: glasramen, zolderingen van paleizen, enz. Hoe zou men een naam kunnen vinden voor deze categorie van kunstenaars, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze door Rik Poot, hun handige tegenvoeter, verguisd worden? Misschien de “postmodernisten”, al dan niet afgekort tot “Pomo’s”.

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.