Verschillen en overeenkomsten tussen kunst en wetenschap

Overeenkomst

Het is verleidelijk om, mede door de aangehaalde relativering een grote gelijkenis te zien tussen wetenschaps- en kunstbeoefening. Beide vormen van cultuur geven immers een visie te kennen van een individu en tevens van de gemeenschap waarin ze leven, gedurende een bepaalde tijd. Beide veronderstellen een nieuwsgierigheid voor wat in de wereld gebeurt en de nodige creativiteit en vindingrijkheid om daar boeiend verslag van uit te brengen. Kunstenaars kunnen een zeer verstandelijke verhouding hebben met hun werk. Er zijn vele voorbeelden van wetenschappers die emotie vertonen bij hun onderzoek. Dat het ene met de rede en het andere met het gevoel zou te maken hebben, gaat dus ook niet op.

Wie de overeenkomsten tussen wetenschap en kunst wil benadrukken, komt onvermijdelijk met Leonardo da Vinci (1452-1519) als voorbeeld op de proppen. Hij heeft het gebruik van de tekening als onderdeel van anatomisch onderzoek immers tot op zeer grote hoogte gebracht (2). Hij vertrok van de overtuiging dat het oog het belangrijkste zintuig is waarmee we kennis van de wereld kunnen opdoen. Verder benadrukte hij geregeld dat in een afbeelding, een tekening of een schilderij, veel meer getoond kan worden van wat we hebben gezien, dan we ooit in woorden kunnen beschrijven. Dat tijdens de Renaissance geen onderscheid gemaakt werd tussen de kunstenaar en de wetenschapper is nu eenmaal een spreekwoordelijk kenmerk van die tijd. Ook in de twintigste eeuw werden lansen gebroken om het verschil tussen de kunstenaar en de wetenschapper te minimaliseren.

Niemand minder dan Claude Lévi- Strauss (3), de Franse etnoloog -filosoof, bekijkt kunst en wetenschap als twee gelijkwaardige vormen van ordenen. Ook de mythes, de verhalen waardoor een cultuur inzicht in zichzelf wil geven, zijn belangrijke vormen van ordenen. Hij noemt dit het “wilde denken”. De kunst beschouwt hij, tussen het wetenschappelijke en het mythische in, als een vorm van hedendaags wild denken. Hier zit allicht een bruikbaar element in, namelijk de wildheid. Wanneer we nog even naar de regels van de wetenschap kijken dan zijn er gemakkelijk overeenkomsten te vinden. In de kunst gaat het ook over een waarnemend nadenken. Het experiment is de basis van de avant-garde in de twintigste eeuw. De zoektocht naar regelmatigheden is minder evident. De kunststijlen zouden hier een parallel kunnen zijn. Men zou immers kunnen stellen dat geen enkele kunstenaar ontsnapt aan een stijl, d.w.z. aan een grotere categorie van vormgeving dan de persoonlijke inbreng. En elke stijl heeft haar eigen kunsttheorie.

Verschil

De vierde regel, nl. de nood aan controlemogelijkheden, is echter niet van toepassing. Hier zit dan ook het grote verschil. Wetenschap is des te beter naarmate ze juistere algemene uitspraken over de werkelijkheid kan doen. Kunst vindt haar kwaliteit in de mate waarop een kunstenaar een eigen nieuwe en interessante vorm vindt voor zijn kijk op de werkelijkheid. Een wetenschapper kiest voor een oplossing, vertrekkende vanuit de kennis van de mogelijke alternatieven. De kunstenaar vindt gewoon “zijn” oplossing. De eerste is bezig met “de” problemen, de tweede met “zijn” probleem. De wetenschap is beter als ze steeds tot dezelfde bevindingen komt, de kunst als ze voortdurend iets anders vindt. Hier wordt de kunstenaar bepaald onwetenschappelijk. Gelukkig maar, want als er geen verschil zou zijn, heeft men er ook niets aan.

Een van de keerzijden van de strikte methode van de wetenschap is dat er weinig ruimte is om buiten de regels van de discipline te gaan. De kunst kent hier geen grenzen. En precies deze wildheid van de kunst kan zeer bevruchtend werken. Dit is vooral boeiend bij kunstenaars die een tak van de wetenschap als thematiek gekozen hebben. In België denkt men dan onmiddellijk aan het vliegtuigachtige werk van Panamarenko. Men kan uiteraard ook niet naast de Cloaca, de verteringsmachine van Wim Delvoye (1965). Koen van Mechelen kruist hanen. Een generatie jonger is er Angelo Vermeulen (1971), doctor in de wetenschappen en kunstenaar met o.a. bio- installaties, kunstwerken die leven. Kris Vleeschouwer (1972) laat computers gestuurd, maar met een ingebouwde toevalsfactor, glazen breken langs de andere kant van de wereld. In tegenstelling tot de modernist, Panamarenko, voor wie het niet kunnen vliegen van zijn tuigen, de nutteloosheid dus, een basisprincipe van zijn kunst is, kenmerken de genoemde postmoderne kunstenaars zich doordat hun kunstwerken ook moeten functioneren. Een nieuw soort renaissancemens?

2) R. Zwijnenberg, “Anatomische afbeeldingen: een vak apart”, in Boekmancahier 58/59, Kunst en Wetenschap, 2004
3) C.Lévi-Strauss, Het wilde denken, Amsterdam, 1976

© 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.