Beeldtaal leren lezen

Gepubliceerd op 1 maart 2022 om 15:56

Nieuwe uitdagingen voor Willemsfonds

Jan Frans Willems, de vader van de Vlaamse beweging, besefte het belang van de taal als ontwikkeling van het volk dat doorgaans 'gewoon' genoemd wordt. De 'ongewonen' spraken Frans en hadden de macht. De taalstrijd verborg een sociale strijd. De Vlaamse beweging bevat een stevige dosis romantiek naar een oud Vlaams verleden dat om symbolische reden in ere moet gehouden worden via het blijven cultiveren van de taal, ze is ook het verhaal van een sociale ontvoogding. Het verbindingsstreepje in sociaal-cultureel is het teken van het samengaan tussen culturele symboliek en sociale emancipatie.

In mijn cursus 'Cultuurbeleid' heb ik steeds benadrukt dat die relatie belangrijk is. Ze vormt een opgaande cirkelbeweging: samenzijn bevordert het culturele, dat op zijn beurt het sociale opwaardeert. De geschiedenis van dat vak liet ik steevast met het Willemsfonds (1851) beginnen. Het maakt de tautologie begrijpelijk van het eerste kenmerk van dat beleid: 'het Vlaamse cultuurbeleid is Vlaams'. Geen pleonasme omdat het eerste gebruik van het woord geografisch is en het tweede ideologisch. Ideologie kan geen kwaad als men zaken in beweging wil zetten. Gevolg is dat de taal de hoofdrol speelde in de ontwikkeling van cultuur: het belang van de literatuur die gelezen kan worden via de boekerij, het stimuleren van het lied en het ondersteunen van toneel. Meer dan honderd jaar later werden deze taken overgenomen door cultuurcentra, die op hun beurt prioriteit gaven aan het geschreven en gesproken woord: grote theaterzaal en bibliotheek, versus een stiefmoederlijke behandeling van het beeld. Tot op vandaag hebben slechts een paar cultuurcentra een tentoonstellingsruimte. Filmprogrammatie wordt als ontspanning bekeken en niet als vorming. Foto's verfraaien al eens gangen.

Deze Vlaamse heropleving is een mini, weliswaar romantische, herhaling van de grote renaissance. Hierin betekent 'humanisme' een terugkeer naar de antieke literatuur met de bedoeling een in de middeleeuwen verloren gegane rationaliteit te herstellen, de voorbode van de Verlichting. Literatuur en schrijven vormen de basis van dit humanisme als kader voor de geesteswetenschap. Deze discipline weet wel dat haar analyses geen exacte resultaten voortbrengen zoals in de natuurkunde, maar troost zich met de gedachte dat het volstaat om fenomenen te begrijpen door systematisch te interpreteren. De vallende appel van Newton kan men in een wetmatigheid formuleren. De appel heeft ook een symbolisch culturele betekenis. Gaande van het Adam en Eva-verhaal tot aan de publiciteit voor bio-fruit waarachter zich een ecologische ideologie verschuilt of een rol speelt in het surrealisme van Magritte.

Deze humanisten deelden hun bevindingen over de thema's uit de antieke literatuur mee aan vrienden via het veelvuldig verzenden van lange brieven. Door deze correspondentie lichtten ze hun wijze van begrijpen van de antieke teksten toe. Hier ligt de basis van de 'hermeneutiek', d.i. het bestuderen van mogelijke interpretaties door informatie te verzamelen die een bepaalde manier van begrijpen kan onderbouwen. Zo wisten de Grieken wat de goden te vertellen hadden. In de renaissance werd men onzeker over de Bijbeltekst. De goddelijke boodschap diende via interpretatie duidelijk te worden. In de 19de eeuw ontwikkelde de hermeneutiek zich als methode van de geesteswetenschappen door teksten te begrijpen via het stofferen met andere teksten. Dat gebeurt tot op vandaag. Men zou zelfs kunnen zeggen dat we sinds de gsm in een hermeneutische hoogconjunctuur verkeren. Via gestaag sms'en en andere korte berichten, begrijpen we wat onze sociale mediavrienden willen zeggen en voelen, zelfs in codetaal. Dat wordt nog verhoogd via een ware apotheose van de beeldcultuur door het constant verzenden van zichten van ervaringen: selfies, groepsfoto's, ruimten waarin men vertoeft, de maaltijden die men degusteert met aangepaste wijnen. Het levert een beter inzicht in de belevingen dan de oude prentbriefkaart die een week later de boodschap doorspeelde dat men zich vrolijk amuseerde, het eten lekker was en het weer al dan niet meeviel.

Nochtans is de massaproductie van toeristische postkaarten de eerste doorbraak van beeldcultuur. Dit nadat vanaf ongeveer 1800 de vermenigvuldiging van prenten op grote schaal mogelijk gemaakt was door de uitvinding van de lithografie. In het laatste kwart van de 19de eeuw evolueerde een briefkaart met korte boodschap tot een geillustreerde 'ansichtkaart', die in het eerste kwart van de 20ste eeuw een ware rage vormde. Het gewone volk was tot dan verstoken gebleven van beelden van 'exotische' oorden, waartoe toen nog de Noordzee behoorde.

Uiteraard is de uitvinding van de fotografie (1839) de ware start van de beeldcultuur. Foto's waren echter zeer duur. Om van een 'cultuur' te spreken in dit verband, is er een antagonistische verbinding nodig van een democratisch welkome verhoging van de kwantiteit, versus een elitair te betreuren verlaging van de kwaliteit. De beeldcultuur valt dan ook voor een groot deel samen met 'massacultuur'. De uitvinding van film (1895) is het meest succesrijke vorm ervan. Ook het stripverhaal behoort ertoe. Ontstaan uit de spotprent, midden 19de eeuw, wordt het een rubriek in kranten. In Vlaanderen verscheen vanaf 1911 het 'mannekesblad'. Van een 'stripverhaal' is echt sprake wanneer de Franstalige Belg, Hergé, in 1929 van start gaat met de avonturenstrip Kuifje/Tintin, nadat hij vanaf 1926 illustraties bij teksten in een katholiek scoutsblad plaatste. In diezelfde periode ontstond het concept televisie, dat vanaf de jaren '60 het voorbeeld van beeldcultuur is geworden.

De geschiedenis van het beeld is uiteraard ouder dan de zopas geschetste samenvoeging met cultuur. Van bij aanvang van de beschrijvingen van het ontstaan van de mens is er een relatie tussen woord en beeld. Keelklanken vastleggen is allicht gebeurd via beelden tekenen die dan vereenvoudigd werden. Wie nog bij Professor Leon Baron De Meyer (1928-2006) les liep, heeft geleerd dat het spijkerschrift ontsproten is uit pictogrammen die samen een beeldtaal vormden. Het lijkt wel of de abstrahering de garantie op waarheidsgehalte verhoogt. "In het begin was het Woord en het Woord was God", daartegen viel weinig in te brengen. Voor de beelden begon de miserie al met het 'gouden kalf'. Ze dragen iets mee van een vervalsing van het echte ten nadele van het authentieke. Dat is ondertussen niet anders. Moslims staan geen afbeeldingen toe (zeker geen cartoons) en christenen, die wel tegen de carnavaleske lach bestand zijn, hebben ook lang moeite gehad met de afbeelding van hun God als blasfemie in se. Er is immers het bijbels verbod op beeldenverering.

Pas Gregorius De Grote (540-604) vond de oplossing door beelden een educatief vermogen toe te kennen. Het zijn 'biblia pauperum', bijbels voor de ongeletterden. Zo waar, de patroonheilige van de beeldeducatie! Op een te groot geloof in het woord valt weinig kritiek te leveren, tenzij door een gering aantal vrijdenkers die van 'dogmatismen' gewag begonnen te maken. Niet te vergeten dat dat over opvattingen gaat, die door gelovigen in positieve zin 'dogma's' genoemd worden, zonder daar graten in te zien. 'Idolatrie' wordt door iedereen verdacht als het verheerlijken van het valse met vaak vandalisme als gevolg. Door de vernietiging van het beeld wordt ook de ideologie tenietgedaan. Wie de 'Nachtwacht' stuksnijdt, beschadigt Holland. Tegenover 'beeldcultuur' heerst van bij aanvang eenzelfde wantrouwen.

Het heeft bijna 150 jaar geduurd vooraleer men fotografie als artistiek medium erkende. De film had nauwelijks zijn stomme fase achter de rug (1927) of de nochtans interessante filosoof, Walter Benjamin (1892-1940) waarschuwde in een vaak geciteerd essay, "Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid" (1935) met de boodschap dat kunst niet voor de massa kan zijn. Ze moet de individuele ervaring toelaten om de 'aura' haar werk te laten doen, nl. begeesteren en beroeren. Het was de start van vele publicaties, die tot een eigen wetenschappelijke discipline leidden, de zogenaamde 'cultural studies'.

Samengevat komt dit erop neer dat men de ideologie bloot legt in relatie tot het beeld. De reeds vermelde onderzoeksmethodiek, de 'hermeneutiek', werd aangevuld met de 'semiotiek', de leer der tekens, die bijzonder toepasselijk is op beelden. De hermeneutiek houdt zich bezig met de hoofdbetekenis, de 'denotatie', de semiotiek met de 'connotaties', de bijbetekenissen. Een stoomboot met een soort bisschop, geholpen door een zwartgemaakte medemens, betekent dat er een kinderfeest in aantocht is. Bijbetekenissen zijn onbegrensd en kunnen suggereren dat hier een sociale onrechtvaardigheid verborgen zit. Waarom is die zwarte mens de ondergeschikte? Is hier racisme aan de hand? Laat staan dat men er het verboden woord 'n ... ! voor gebruikt! 'Waarom is Sinterklaas een man?' zouden feministen kunnen opperen. 'Beeldcultuur' is dus het verschijnsel, ten nadele van de traditionele woordhegemonie, van de verhoging van de rol die beelden en hun veelvuldige reproductiemogelijkheden met democratische bedoelingen, gaan spelen zijn in de cultuur, aangevuld met de diverse problematiseringen ervan. Dit kan zelfs gaan tot: is die democratisering wel emancipatorisch of houdt ze het volk precies dom?

MORAAL VAN HET VERHAAL VOOR WILLEMSFONDS?

Het oude humanisme, gebaseerd op lectuur, wankelt al een tijdje. Uitgangspunt was dat de mens zich vormt door te lezen met de bibliotheek als atheïstische tempel: grote verscheidenheid in tegenstelling tot het ene Boek van het monotheïsme. Een boek is een te dik uitgevallen brief aan geestesvrienden. Een goed boek is er één dat men zelf had willen schrijven. Hoe meer men er gelezen heeft, hoe humaner men is, was de onuitgesproken grondslag van een dergelijk humanisme van de collectieve authenticiteit. Een soort groeiend 'wij' dat naar onderlinge consensus streeft met de verbetering van de mens in het vooruitzicht. Verschillende aspecten van de beeldcultuur tonen de crisis van een dergelijk humanisme aan. Ik noem er een aantal. Stanley (1841-1904) heeft in het toenmalige Kongo geen soort Alexandrijnse bibliotheek gevonden, wel beelden die deel uitmaakten van een animistische religie. In ruil voor het kruis, de fetisj van het christendom, werd een deel van dat beeldenpatrimonium naar het Westen verscheept. Het kreeg er dezelfde museale waardering als Westerse kunst. Vandaag wordt dit als symbool van het kolonialisme bekeken. Of een ander voorbeeld. De fotografie was als systeem van beeldbewaring een vervanging voor de schilderkunst. Een foto maken was een hele gebeurtenis. Tot wanneer (1888) Eastman de slogan lanceerde om zijn Kodak te promoten: "You press the button, we do the rest". Sindsdien is de beeldproductie oneindig geworden. Dit werd exponentieel vermeerderd, sinds de digitale fotografische mogelijkheden, die vervat zitten in het spionagetoestelletje dat bijna in ieders zak of tas zit. Het laat selfies toe, al dan niet door middel van een verlengstok. Overgezet op de 'sociale' media wordt dit een ware beeldenchaos. Let wel, de facebookvriend is geen vriend zoals in de humanistische correspondentie. Het is in vele gevallen een onbekende die potentieel een vijand kan worden. De mogelijke interpretaties zijn niet te voorzien en niet te vertrouwen.

De digitalisering maakt dat er een fundamenteel verschil is ontstaan in de aard van het beeld. Bij de analoge kan verondersteld worden dat wat er te zien is, er ook geweest is. Wat niet wegneemt dat er van bij de aanvang van de fotografie snel vervalsingen optraden, met de censuur van de foto's van Stalin als schoolvoorbeeld. Bij het digitale beeld is manipulatie zo goed als de regel met Photoshop als programma. De gesproken en geschreven taal kent ook zijn 'fake news'. Toch gaat men er van uit dat er 'objectief' nieuws via het woord mededeelbaar is. Men blijft het beeld verdacht vinden.

Willemsfonds heeft dus werk op de plank. Er is enerzijds geen reden om de traditie van het stimuleren van het lezen van literatuur niet verder te zetten. Anderzijds spreekt ook de semiotiek over 'lectuur' als het gaat over beelden begrijpen binnen een context. Los daarvan vraagt een beeld om een toelichtende tekstballon of onderschrift en worden boeken verlucht. Ze kunnen elkaar niet missen. Hier ligt een nieuwe taak, nl. de beeldtaal leren lezen. L

Let wel! Taal is hier zelf een beeldspraak. Het was een trend in de jaren '60-'70 om te spreken over de "taal van het beeld". Er is echter geen uitgeschreven grammatica, waartegen men fouten kan maken, en nog minder een gelimiteerde woordenschat. Beelden behoren tot een tekensysteem waarin men basiselementen kan opsporen en hun relaties bestuderen. De studie van beeldcultuur is een noodzaak om mensen er beter te leren mee omgaan. De nieuwe media vanaf de fotografie behoren daartoe. Ook de ganse geschiedenis van de beeldende kunst. Om uiteraard de hedendaagse kunst niet te vergeten. Dat we de kunst, die onze tijdgenoten maken niet begrijpen, is niet onproblematisch, maar een teken van de crisis van onze tijd.

Oud-voorzitter van het Willemsfonds, Ernest Van Buynder, startte ooit een reeks monografieën over Vlaamse beeldende kunstenaars. Misschien moet die blauwe draad terug opgenomen worden. Nu ben ik me al met het programma aan het moeien. Dat dat een brug te ver is, kan ik me goed inbeelden.

Artikel verschenen in Rechtuit, Willemsfonds Magazine, jg. 29, maart 2022, pg. 10-13

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.