Het taboe van naaktfotografie

Gepubliceerd op 1 oktober 2022 om 15:41

Jean-Marie Bottequin in de Stichting Pim De Rudder

Toen ik net de korte broek ontgroeid was en met mijn vader mee mocht naar de woelige vernissages van de jaren zestig, waar een happening steeds in de lucht hing en er ook vaak uitviel, was Jean-Marie Bottequin een ware held van de fotografie. Hij valt niet los te denken van de voorbereidende jaren op de mei '68 revolte. In datzelfde jaar was hij plots uit mijn blikveld verdwenen. Vaak dacht ik: 'Hoe zou het met Bottequin gaan?', omdat zijn foto's me als jonge knaap al gefascineerd hadden. Tot Hilde Braet hem in 2018 weer in het Gentse vizier bracht. Naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag - weliswaar een jaar uitgesteld omwille van corona
- opende er deze zomer een tentoonstelling met zijn werk in Assenede.

Op 29 april 1941 beviel Bottequins moeder op straat onderweg naar de kraamkliniek. Niet onder eresaldo's die men afvuurt ais er een prins ter wereld komt, wel onder het krijgsge­weld van de Duitse bezetter. Allicht heeft dat onbewust sporen nagela­ten. Kinderen verwelkomt men beter vriendelijk. Tech veroorzaakte het geen afkeer voor de Duitse cultuur. De Franstalige vader van Jean-Marie, doctor Armand Bottequin (1908- 1996) was professer in de Romaanse filologie aan de UCL. Hij koesterde een grote interesse voor theater en wees zijn zoon erop dat kennis van de Duitse taal belangrijk is voor filosofie. Inderdaad, Immanuel Kant en Georg Wilhelm Friedrich Hegel behoren tot de grootsten. Jean-Paul Sartre heeft de mosterd gehaald bij Martin Heidegger en vandaag is Peter Sloterdijk van een ander kaliber dan Michel Onfray.

Rare kwasten die Duitsers: uitvinders van een militaire variant op de klompendans, met leren laarzen en een strategische efficiëntie van de SS tot 'Wir schaffen das', toch hebben ze ook de diepzinnigste filosofen voort­ gebracht. Jean-Marie Bottequin vertelt in een interview dat hij aangetrokken werd door hun discussiecultuur, Vla­mingen zouden vooral zwansen in de kroeg. In 1968 ging hij in München leven en bouwde er een internatio­nale carrière uit, met een adembene­mende lijst van relaties: Andy Warhol, Ingmar Bergman, Roman Polanski, de clowns Oleg Popov en Charlie Rivel, om er enkelen te noemen. Er zijn een aantal elementen uit zijn leven en werk die als inspirerende spil bekeken kunnen worden, waarrond het kunstenaarschap van Jean-Marie Bottequin zich ais een suikerspin ont­wikkeld heeft. 

© Foto Jean-Marie Bottequin: Catherina Hess

© Modelsociety.com

WOORDELOOS VEEL VERTELLEN

Bottequin begon met een theater­opleiding en het toneel heeft tot op vandaag een belangrijke roi gespeeld in zijn creatieve bezigheden. Zowel als officiële fotograaf van podiumkunsten, maar ook in de manier van het fotograferen. De foto's vertonen enige theatraliteit en hij regisseert de modellen tot ze een gewenste pose aannemen. De happening vormt een belangrijk aspect van zijn bestaan als kunstenaar. Inderdaad, hier ligt een eerste knooppunt: leven en werk maken een eenheid uit die tot stand komt in een fotografisch beeld. Laten we niet vergeten dat Bottequin ook mime speelt. Deze expressie van het gelaat vormt de kern van theatraliteit: woordeloos veel vertellen.

Een tweede tapie hangt samen met de opleiding regentaat Plastische Kunsten bij Octave Landuyt (0 1922) in de vroegere Rijksnormaalschool. In de jaren zestig was er een onuitge­sproken rivaliteit in Gent tussen drie kunstscholen, telkens verbonden aan een leraar die de ster was. Naast de reeds genoemde Landuyt, had je de Academie met Jan Burssens (1925- 2002) ais vedette. Hij stand symbool voor een bevrijdende opleiding met een zeer lyrische expressie, vol exube­rant verfgebruik en een bijna literaire narrativiteit. Wie soberheid van lijn en kleur prefereerde, moest naar Sint-Lucas gaan bij Dan Van Severen (1927-2009). Volgens zijn leerling André Van Schuylenbergh (1952) heerste daar het mystieke motto: 'De verticaliteit is de lijn van het leven, de horizontaliteit deze van de dood'. Octave Landuyt bespeelde dan weer het surreële. Niet zozeer in het voet­spoor van René Magritte (1898-1967), daarenboven veel beter geschilderd, maar enigszins in de trant van de Neue Sachlichkeit. Landuyt verkende de wereld van de droomwerking met nachtmerries induis. Bottequin mag men geen surrealist noemen, zelfs geen vertegenwoordiger van de 'Vlaamse fantastiek', zoals men de schilderkunst van Landuyt wel eens noemt. Het verband tussen de twee zit hem in de vraag naar de onzichtbare diepte van de realiteit, die Bottequin bezighoudt. Niet voor niets heeft hij op latere leeftijd nog filosofie en psychologie gestudeerd. Foto's do­cumenteren de realiteit niet, zij roe­pen op tot verwonderen.

FEEST VAN DE VRIJHEID

Het naturalisme vormt een derde kernpunt in zijn leven en werk. Ik weet niet of Jean-Marie op Bredene plage à poil gaat, maar hij huldigt wel het naakte lichaam ais de natuurlijk­heid zelve, dat niet moet zwichten onder de druk van moralisten binnen een relatief cultureel systeem, zoals een godsdienst die Adam en Eva een vijgenblad én een schuldgevoel aange­meten heeft. 

Een vierde context hoort bij mei '68. De vernissage van Bottequins expo, op 7 augustus 2022 in Assenede, was een ware hommage aan deze periode. Ik droeg eraan bij ais inleider met een woordgebruik waarvoor ik met enige regelmaat op de vingers getikt word, maar het toch niet laten kan. Jean­-Marie zorgde voor het beeldmateriaal en de actie. Mei '68 was in eerste in­stantie een feest van de vrijheid. Een­zelfde sfeer hing er van bij aanvang op de vernissage, net zoals in de goede oude dagen. Spijtig dat Pim De Rudder er niet bij was. De happening met uit de kleren gaande mensen, eerst door Jean-Marie Bottequin beschilderd,
dan in pose gefotografeerd, was de  proef op de som van de herbeleving van de bevrijding.

NATUURLIJKE LICHAMELIJKHEID

Bottequin drukte me in een voorbe­reidend gesprek op het hart dat zijn fotografie niet in het erotische in te de­len valt. Dat had ik al door. In de titel van de tentoonstelling is het woord taboe belangrijk. Taboe stamt uit het Polynesisch en betekent enerzijds de verheerlijking van het heilige waar­door de onaanraakbaarheid en zelfs de onuitspreekbaarheid op het toneel verschijnt. Anderzijds schrikt het af en maakt het een band met het onreine. Godsdiensten, een mannenzaak, ver­binden dit al eens aan menstruatie. Wie taboe op de zoekmachine van het internet intikt, krijgt steevast het lijstje van de shows van Philippe Geubels voorgeschoteld. Bij hem krijg je dan: taboe ais de periode van de onaan­spreekbaarheid van de vrouw. 

Bottequin staat ver af van de humor van Geubels. Weliswaar met enige speelsheid, legt hij de sacraliteit van de natuurlijke lichamelijkheid vast. Fo­tografie leent zich daartoe: de afstan­delijkheid bevestigt de ongenaakbaar­heid en woorden schieten steeds te kart. Het thema behelst wel degelijk de biologische natuurlijkheid, waar- bij Bottequin de logica van het leven zichtbaar maakt. Wanneer schijnbaar fallussen omgekeerde vrouwentorsen blijken, staat hij dichter bij een vorm­verwantschap met bloemenstampers dan met het aanbod van een porno­shop. Zijn fotografie heeft met erotiek niets te maken. Erotiek maakt het do­ mein uit van de theatrale handelingen die de natuurlijke geslachtspolariteiten aantrekkelijker maken. De seksualiteit betreft de voortplanting. Bottequin maakt geen voorlichtingsprentjes. Hij zinspeelt op de lichamelijkheid en haar bron als creativiteit, als natura natur­ans, gevestigd op een soort natuurfilo­sofie. 

Met pornografie heeft dit evenmin van doen. Pornografie is de beschrijving van wat de pornei, de prostituee, doet. Deze doet niet veel anders dan wat in niet-betalende erotiek gebeurt. Het staat dus niet voor een beschrijving, maar voor een ethische be- en vooral veroordeling. Ze bestaat dus in feite niet. Het woord werd voor het eerst gebruikt door Restif de la Bretonne in 1769, bij wie het de literatuur over prostitutie betekent. In de huidige betekenis van 'obscene geschriften en afbeeldingen' kwam het in Frankrijk maar in gebruik vanaf 1830. In de Ox­ford English Dictionary wordt het pas in de editie van 1857 opgenomen. Tot hier het ontstaan van het woord, de hande­lingen bestonden al langer. Dat valt te zien in het Archeologisch Museum van Napels, waar de vondsten van Pompeï te zien zijn, met evenzeer 'prentjes waarop je alles zag'. Na koninklijk bezoek werd er in 1821 een Gabinetto Segreto ingericht, waar niet iedereen zomaar binnen mocht. Oude Grieken en Romeinen maakten er geen punt van. Gutenberg had de drukkunst nog maar uitgevonden of Aretino liet zijn pornografische verhalen in 1524 al drukken met prenten van Raimondi, I Modi, zestien standjes, een voorloper van de Variaties uit de jaren zestig van vorige eeuw. Een paar jaar na het ont­staan van de fotografie in 1839 waren er al processen om té expliciete poses te verbieden. Vandaag zou men pornografie de erotische kitsch kunnen noemen, een smakeloos teveel van goede of slechte kunst. Bij Bottequin gaat het om goede kunst. Naast het thema van lichamelijkheid, heeft hij een goed oog voor het belang van de vormgeving. Hij moet gezien worden ais een maat­schappelijk geëngageerde fotograaf die het esthetische niet verwaarloost. 

GRENSOVERSCHRIJDENDE FOTOGRAFIE

Met opzet plaatste ik nog een vijfde spil waarrond alles draait bij Bottequin naar achter. De modellen vertonen zich meestal naakt, wat van bij aan­vang al tot negatieve reacties en zelfs censuur geleid heeft. Kledij krijgt wis­selende betekenissen in verschillende culturen. Over de denotatie bestaat een consensus: kleding moet het li­chaam beschermen tegen externe gevaren. Voor een vrouw kan zo'n gevaar de blik van een man inhouden, omwille van de mogelijke gevolgen van dat gluren. De connotaties leveren echter interessantere betekenissen op. Roland Barthes (1915-1980) heeft onze aandacht gevestigd op kledij ais betekenissysteem en dus tevens op de betekenis van de afwezigheid ervan.

De dialectiek tussen tonen en verber­gen is overigens de kern van de erotiek. In de roman Het Schelling Project laat Peter Sloterdijk één van de personages opmerken dat de verplichting bij mos­lims om vrouwen behalve één spleet, alles te doen bedekken, toch hoogst bedenkelijk kan genoemd worden. Wie Histoire de l'oeil (1928) van Georges Bataille (1897-1962) gelezen heeft, be­grijpt wat hij bedoelt. De geschiedenis van het decolleté illustreert overigens het cultuurrelativisme dat aan kledij wisselende betekenissen geeft. Theolo­gisch valt overigens iets te zeggen over dat bedekken. De mode blijkt immers een pseudoreligie van een zeer godde­loze humanistische soort. Ik ben aan het uitweiden, want het plan was de vijfde kern van het oeuvre van Bottequin bloot te leggen. Zijn fotografie kan, zoals het hoorde in de jaren zestig, de titel grensverleg­gend dragen. Wie grenzen verlegt, overschrijdt de bestaande in een mate dat er iets beters uit komt, vanuit het standpunt dat kunst niet clichématig mag blijken. Grensoverschrijdend verschoof ais begrip van een artistieke naar een ethische context. Ethiek is ge­fundeerd op clichés. Men gebruikt het vandaag zowaar ais een synoniem voor zonde. De miskende vrijdenker Adri­aan Beverland (1650-1716) stelde in de tweede helft van de zeventiende eeuw dat de erfzonde neerkomt op het libido, de lust die tot alles in staat blijkt, meer dan voor de voortplanting nodig is. Sloterdijk merkt met betrekking tot zijn roman op dat zo'n Just met een grote mate van overbodigheid, een bizarre wending in de natuur is. Het heeft dus geen zin om over de nieuwe preutsheid te spreken. De mei '68 beweging volbracht op dat punt haar ontvoogding. Teken daarvan is dat na jaren van het al dan niet sluiten van het erotische kabinet in het Napelse museum, deze zalen sinds 2000 voor iedereen open staan. De strijd die men vandaag levert, is deze van het machts­element dat aan de bevrediging van die lust al te veel gekoppeld is. 

Wat dat betreft, zit de fotografie van Bottequin goed. Het komt over alsof de modellen zichzelf gefotografeerd hebben. Geen moment geeft het de indruk dat de fotograaf hen tot object herleidt. Door de enscenering wordt de fotograaf zelf deel van de foto's. Er rest ons nog om ze anti-voyeuristisch te bekijken. Dat gevoel kregen we bij de happening: geen onderscheid tussen de naakte modellen en het publiek. Eén van de dames, de artieste Morgane La Fay, trad zingend op, met het doch­tertje op de arm, allemaal zoals het uitstervende ras van de mei '68-ers het gedroomd hadden.

Artikel verschenen in De Geus, Magazine Vrijzinnige Actualiteit Oost-Vlaanderen, jg. 54, nr 4, oktober 2022, pp. 32-36

www.geuzenhuis.be

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.