Armand Vanderlick (1897-1985)

Armand Vanderlick is een goed voorbeeld van deze generatie. Hij was zich goed bewust van hun noodlottige situatie: Dat is een drama geweest. Wij waren de sukkelaars. Er zijn niet veel generaties van schilders die het zo moeilijk hebben gehad. Wij kwamen juist na de grote expressionisten en hebben maar enkele jaren bezig kunnen zijn, want dan is de abstracte kunst mode geworden. De mensen kregen de tijd niet om ons te waarderen. Ik kan dat nog goed illustreren. Ik heb veel geëxposeerd bij Schwarzenberg, in Sélection op de Louizalaan en ook in de Galerie Dietrich. Daar kwamen altijd veel mensen naar de vernissage o.m. Paul Haesaerts, Hippolyliet Daye, Tijtgat, Brusselmans, Jespers, René Magritte. Op mijn laatste expositie was er geen mens want op hetzelfde uur had daar recht tegenover in het Paleis voor Schone Kunsten de opening plaats van “La Jeune Peinture”. Het abstracte trok aan en geen mens had nog interesse voor ons.(5)

Men kan stellen dat Vanderlick pas echt zichzelf vond vanaf 1934. Zijn coloriet was aanvankelijk fauvistisch. De modekleuren van het einde van de jaren tien verwezen naar Frankrijk en hierin kon Vanderlick zich goed vinden, nl. in een expressionisme dat de frivoliteit niet schuwde, in tegenstelling tot de tragiek van het Duitse expressionisme. Het Vlaamse expressionisme bleek te somber voor zijn geaardheid. Hij keerde dus terug naar de meer zuiderse lichtheid van de kleuren. Niet echt meer een fauvistisch kleurenpalet, o.a. de mauves van voordien, maar toch hetzelfde principe, nl. dat kleur inwerkt op “l’esprit”, daar waar de bruinachtigen van de Vlaamse expressionisten rechtstreeks inwerkten op het gemoed. Dit “Geistige in der Kunst” vond zijn hoogtepunt in de jaren vijftig-zestig, maar was reeds als speelsheid aanwezig in de tweede helft van de jaren dertig. Vanaf de jaren veertig werd de ruimte meer geconstrueerd. Na de jaren vijftig-zestig, die als een hoogtepunt in zijn oeuvre kunnen bekeken worden en waarin de typische groen- en blauwvarianten overheersen, komt er een versobering in zijn werk, dat doorgaans zijn vorm van constructivisme genoemd wordt.

De kunstkritiek (6) is maar laat beginnen schrijven over Armand Vanderlick. De meeste artikelen dateren van na 1963 en waren lovend. Wanneer men de artikels doorneemt, dan zijn er een viertal items die steeds terugkeren: ten eerste werd hij sterk gewaardeerd door erkende kunstenaars van zijn generatie (o.a. Gust De Smet); ten tweede was zijn kleurgebruik zeer specifiek en aantrekkelijk; hij was een sterke persoonlijkheid met talent, die werkte zonder zich veel met de artistieke wereld rondom zich bezig te houden; en tenslotte – hoewel miskend – behoorde hij tot de besten van zijn generatie.

Aan deze vier punten, die gepuurd werden uit de kunstkritische teksten, zou ik nog een vijfde willen toevoegen, met name dat Armand Vanderlick een abstract schilder was. Het is echter vrij gemakkelijk verifieerbaar dat deze uitspraak geen steek houdt. De tussenoplossing is dan dat men de werken van Vanderlick als abstracte schilderijen moet bekijken. Pas dan ziet men vandaag de waarde van zijn plastisch oeuvre. Als ik een kritiek zou formuleren is het dat Vanderlick vanuit een vooroordeel tegenover de avant-garde de geestelijke moed niet gehad heeft om abstract te schilderen, want hij was als “rasecht” schilder in hart en nieren een ab­stract schilder. Daarom is zijn werk vandaag nog boeiend, ook voor de jongere generaties. In plaats van deze wat harde kritiek te formuleren zou men eenvoudigweg enkel kunnen betreuren dat hij niet in een ander intellectueel milieu beland is, zoals bv. zijn schoolmakker Servranckx.

Het heeft geen zin om dergelijke speculaties te maken van hoe hij had kunnen werken. Zijn oeuvre is er, punt aan de lijn. Men kan het echter wel “als” abstract bekijken, dat is nu eenmaal de esthetische vrijheid van de toeschouwer. Thematiek en figuratie zijn immers te banaal om te boeien. Hij werkte hoofdzakelijk schematisch lineair. Men heeft er niet het plezier aan dat men kan hebben bij een verbluffende realistische weergave. Evenmin is de compositie zo gek bedacht als bij de surrealisten. Men beleeft er ook niet de intense ervaring aan die al eens optreedt door de krachtige deformaties van de expressionisten. Nog minder wordt men overstelpt door het intellectuele genoegen dat ons kan overvallen bij de conceptuele kunst. Dus blijft er maar één weg open, en dat is het formalisme, nl. zijn werk bekijken als een boeiende verhouding van picturale elementen. Wanneer men naar zijn werk kijkt, los van de banaliteit van zijn figuren, als een interessante combinatie van kleurvlakken, dan krijgt men een zeer goed schilder te zien. Een abstractie is niet betekenisloos. Kleuren produceren betekenissen. Zo de thematiek van Vanderlick de “intimiteit” zou kunnen genoemd worden, dan is dat niet doordat hij figuren schildert in hun intieme relatie met de leefruimte, maar vloeit dit voort uit zijn kleurgebruik. Zijn kleuren nodigen uit om binnen te komen. De abstracte lectuur van zijn werk wordt gestimuleerd door het feit dat in zijn compositie de figuren steeds volledig deel uitmaken van de rest van het schilderij. De eigen kleurrealiteit speelt geen rol. Hun kledij bijvoorbeeld heeft geen werkelijkheidswaarde. Het zijn kleurvlekken naast de andere. De menselijke figuren zijn ook pure fictie. Vanderlick heeft zich slechts enkele malen aan een portret gewaagd, waaronder één keer zichzelf. Hij was niet geïnteresseerd in die relatie met het concrete, de mens is maar een kleurvlek tussen het andere. Voor Vanderlick was schilderen enkel het oplossen van plastische problemen. Een werk blijft even goed als men het op zijn kop bekijkt.

5. J. Florquin, “Ten huize van …”, deel 7 (Leuven, Davidsfonds, 1971), p. 267.
6. Bibliografie in: W. Van den Bussche e.a., “Armand Vanderlick” (Brugge, PMMK & Stichting Kunstboek, 1998).

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.