Men kan de moderne kunst bekijken als een reactie tegen de conventies van de oude kunst. Men kan een deel ervan ook zien als een westerse vertaling van de ongeschreven esthetica’s van de zogenaamde primitieve culturen uit vooral Afrika en Oceanië. Het was Paul Gauguin (1848-1903) die de mosterd haalde in Polynesië waar hij een tijd lang verbleef. Hij ligt aan de basis van het primitivisme dat aan het begin van de twintigste eeuw de moderne kunst binnensijpelde om haar langzaamaan te doordrenken. Wie de moderne kunst wil begrijpen moet dus niet de Vlaamse Primitieven en de daarop volgende westerse kunsttraditie gaan bestuderen, maar een introductie krijgen in wat men in het Frans voorzichtig ‘Arts Premiers’ is gaan noemen; voordien: primitieve kunsten.
De stijl van Paul Gauguin wordt wel eens ‘synthetisme’ genoemd. Hij bracht verschillende standpunten samen in zijn werk. De waarneming van de natuur werd aangevuld met flarden herinnering, verbeelding en vooral een emotionele verwerking ervan. Verder streefde hij ernaar om kleur en vorm voor zichzelf te laten spreken, eerder dan in functie van de weergave van de realiteit. Deze hang naar synthese is een esthetisch kenmerk van de ‘primitieve’ kunst en een voorloper van het expressionistische principe.
Dit was echter niet de eerste exotische beïnvloeding van de westerse kunst. Al in de achttiende eeuw had men de chinoiserie, waarbij het Chinees porselein erg in trek kwam. De negentiende eeuw bracht het oriëntalisme, de fascinatie voor het Midden-Oosten. Nadien gevolgd door deze voor Japan, het japonisme. Deze invloeden waren geen zuivere overnames, maar telkens staaltjes van westerse verbeelding. Zo stelde het primitivisme de Afrikaan niet enkel voor als de edele wilde, maar bracht hem eveneens in verband met het duistere. Hoe dan ook was het primitivisme voor de avant-garde een weg om de traditie te kunnen verlaten. Een ontsnappen aan een kunst die een aantal waarden onderweg kwijtgespeeld was, de zogenaamde intuïtief tot stand gekomen echtheid van het ongerepte. Deze zoektocht naar authenticiteit gebeurde eveneens via een belangstelling voor de volkskunst. De ‘naïeve’ kunst kreeg ook veel aandacht van de modernisten. De naïeve kunst is deze waarvan de maker overtuigd is dat de artistieke regels gevolgd worden, maar die er uiteindelijk uitziet als gemaakt door kinderen of volgens niet-academische principes, zoals bijvoorbeeld het werk van Henri Rousseau (1844-1910). Over deze Parijse douanier vertelde Guillaume Apollinaire dat hij de maten nam van de lichaamsdelen van zijn modellen en dezelfde lengten overbracht op het doek. In de plaats van – wat zijn bedoeling was – realistisch te zijn, verkreeg hij een surrealistisch effect. En om zijn jungle te schilderen liet hij zich inspireren door kamerplanten.