Fik Van Gestel (1951- )

“Wie schilderkunst vereenzelvigt met de veilige herkenbaarheid van thema en stijl komt bij Fik van Gestel bedrogen uit. Herhaling, het werken in reeksen of varianten, het hanteren van terugkerende formules zijn niet aan hem besteed. Uit die veelzijdigheid hoeven we niet te besluiten dat zijn werk een rode draad zou ontberen. Telkens gaat het hem om beelden die in zijn onmiddellijke omgeving opduiken, van planten uit de tuin tot inkomende computerbeelden”, schrijft Filip  Luyckx op de website van BAM.

Behalve dat een dergelijke herkenbaarheid zelden veilig is bij interessante kunstenaars, zegt deze uitspraak toch wel iets over het oeuvre, nl. de onrustige zoektocht naar zichzelf als schilder. Deze valse wispelturigheid heeft nog wel enkele rode draden. Zijn relatie met het expressionisme is ook een constante. Zijn lijnvoering is altijd wild, maar zelden in het wilde weg. In feite brengt Fik van Gestel twee stromingen bij elkaar die beide in het begin van de jaren tachtig opgang maakten. Ten eerste het neo-expressionisme, de reden waarom hij in dit hoofdstuk besproken wordt. Van Gestel was het paradepaard in de stal van de Antwerpse Galerie Cintrik die een zeer belangrijke rol gespeeld heeft bij de promotie van deze heftige schildersliefde. Met Win Van den Abeele als drijvende kracht. Ten tweede de fundamentele schilderkunst met Raoul De Keyser als meest succesvol voorbeeld. Dit is een soort abstracte kunst die niet zoals de geometrische gebaseerd is op een verhouding tussen ongeveer meetkundige kleurvlakken en evenmin de gevoelens wil uitdrukken via verfuitspattingen. Het is een kunst die wil tonen wat verf is door lagen over elkaar te leggen zodat men een kleureffect krijgt dat het gevolg is van die gelaagdheid en niet gelijkt op deze van het palet. Tevens wordt de aandacht gevestigd op de penseelvoering, op de toets die de hand nalaat.

Bij Fik van Gestel vindt men een interessante combinatie van beide. Hij is geen zuivere neo-expressionist, want daarvoor is zijn schilderswijze niet wild genoeg. Hij toomt zich voortdurend in. Het is alsof hij als een monnik voortdurend tussen de tanden prevelt: “Wat is schilderkunst verdomme?” Eerder als een vloek van iemand die de last draagt om een handeling uit te voeren dan als een aftandse filosofische vraag à la Heidegger. Dat reflecterend handelen zit er bij van Gestel voortdurend in. Maar tot zuivere abstractie komt hij eigenlijk nooit. Daarvoor is hij teveel begaan met het schilderkundig verwerken van zijn omgeving. Daarvoor is hij te zintuiglijk ingesteld. Het is alsof hij voortdurend voor zichzelf een decor bouwt met interpretaties over zijn horizonten. Ook de verre, deze van zijn souvenirs uit zijn verblijven in Afrika.

In dat alles is de natuur zijn thuis. Hij toont een grote voorliefde voor het plantaardige. Dat was al zo in zijn beginfase in de jaren tachtig. Het is herhaaldelijk teruggekeerd. Boeiend hierin is dat men een dubbele gelaagdheid krijgt. Er is enerzijds het plantaardige dat zich vaak kenmerkt door een aan de oppervlakte zichtbare structuur, bijvoorbeeld de vezels en de nerven van een stengel. Zoals gezegd, heeft Fik van Gestel aandacht voor de structuur van het medium verf. Hierdoor krijgt men dus anderzijds een speling tussen de constructie van de geschilderde stengel, die van verf is, en de textuur van de natuurlijke stengel. Dat is de wijze waarop van Gestel het klassieke thema van de verhouding tussen natuur en cultuur aan de orde brengt.

Van Gestel heeft uiteraard nog andere thema’s in zijn werk. Zo o.a. in de jaren negentig waarin hij zeer begaan was met wat men ‘oervormen’ zou kunnen noemen. Maar telkens speelt de spanning tussen kunst als expressie versus kunst als zelfbevraging daarin een centrale rol.

© 2008 – 2012, Willem Elias. All rights reserved. On republishing this article you must provide a link to the original article on www.belgischekunst.be.